De uitvoering start met de montage van een representatief proefstuk in een speciaal ontworpen testframe. Deze constructie, of het nu een wand, vloer of doorvoering betreft, wordt ingebouwd op een wijze die de praktijksituatie zo dicht mogelijk benadert. Het frame sluit vervolgens de opening van een horizontale of verticale beproevingsoven af. Zodra de branders starten, volgt de temperatuur in de oven een internationaal genormeerde standaardbrandkromme, waarbij de hitte binnen enkele minuten oploopt tot boven de 800 graden Celsius.
Tijdens het proces registreren talloze thermokoppels op de niet-blootgestelde zijde de temperatuurontwikkeling. Sensoren en visuele observaties monitoren de integriteit van het systeem. Er wordt gelet op het ontstaan van kieren of gaten waardoor vlammen of hete gassen kunnen ontsnappen. Bij dragende constructies wordt gedurende de gehele proef een mechanische belasting uitgeoefend om de stabiliteit onder brandcondities te verifiëren. De test duurt voort tot het moment dat de constructie bezwijkt of de vooraf vastgestelde tijdsduur is bereikt. De verzamelde meetgegevens over vlamdichtheid, thermische isolatie en bezwijkgedrag bepalen uiteindelijk de formele brandwerendheidsklasse.
De ene brandproef is de andere niet. Variatie is noodzakelijk omdat een brand in een woonkamer zich totaal anders gedraagt dan een inferno in een tunnel of een petrochemische installatie. In de basis onderscheiden we proeven op basis van de gehanteerde temperatuurkromme. De meest voorkomende is de standaard ISO-kromme, ook wel de cellulosekromme genoemd. Deze simuleert een brand van natuurlijke materialen zoals hout en papier. Voor extremere scenario's grijpen laboratoria naar de koolwaterstofkromme of de RWS-kromme. Hierbij schiet de temperatuur binnen enkele minuten naar 1200 graden Celsius of hoger. Explosief. Meedogenloos voor beton en staal.
Naast de hitte-intensiteit variëren de proeven in schaalgrootte en doel. De Single Burning Item (SBI) test is een bekende variant voor brandreactie. Hierbij wordt niet gekeken naar de weerstand van een wand, maar puur naar hoe een materiaal bijdraagt aan de brandontwikkeling. Het bepaalt de Eurobrandklasse van A1 tot F. Een materiaal kan dus uitstekend scoren op brandreactie, maar als systeem volledig falen in een brandwerendheidsproef waarbij de integriteit van een gehele constructie wordt getoetst.
Maatwerk bepaalt de testopstelling. Voor beweegbare constructies zoals branddeuren of rolluiken volstaat een statische ovenproef niet. Deze elementen ondergaan vaak eerst een duurzaamheidstest waarbij ze duizenden keren open en dicht gaan voordat ze de oven in schuiven. Mechanische slijtage mag de brandwerendheid immers niet compromitteren. Bij beglazing ligt de focus vaak op de W-eis, de warmtestraling. Hierbij meten sensoren op een afstand van één meter hoeveel hitte er nog door het glas komt. Te veel straling betekent dat objecten aan de veilige zijde spontaan kunnen ontbranden.
Brandproeven voor doorvoeringen vormen een categorie apart. Hierbij worden kabels, buizen en hun afdichtingssystemen in een testwand gemonteerd. Men let specifiek op het 'druipgedrag' en de isolatiewaarde (I) van de afdichting. Bij dragende constructies, zoals kolommen en balken, wordt de proef uitgevoerd onder een hydraulische last die de werkelijke belasting van het gebouw simuleert. Het bezwijken van de draagkracht is hier het kritieke criterium. Elk type bouwdeel kent zo zijn eigen strikte protocollen en faalcriteria, vastgelegd in specifieke normen zoals de EN 1366-serie.
Denk aan een technische schacht in een ziekenhuis. Tientallen kabels en plastic leidingen doorboren de wand. Tijdens een brandproef voor doorvoeringen zie je de brandwerende manchetten hun werk doen; ze zwellen razendsnel op en knijpen de smeltende PVC-buizen volledig dicht. Geen vlam krijgt de kans om via de leidingloop over te slaan naar de volgende afdeling. Het is een race tegen de klok voor de isolatiewaarde (I).
Stel je een glazen wand voor in een drukke vluchtweg. Tijdens de proef wordt de stralingshitte nauwkeurig gemonitord. Een technicus controleert of de warmte op een meter afstand niet boven de kritieke grens komt. Zou die straling te hoog zijn, dan kunnen de kleren van vluchtende mensen spontaan ontbranden zonder dat zij het vuur zelfs maar aanraken. De W-eis in de testopstelling voorkomt dit onzichtbare gevaar. Voor tunnels is het scenario nog extremer. Een proefstuk beton wordt blootgesteld aan de RWS-kromme. De temperatuur schiet in een paar minuten naar 1200 graden. Je hoort het beton soms knappen — spatten door de enorme hitte — tenzij de juiste vezels in het mengsel hun werk doen en de stoomdruk laten ontsnappen.De noodzaak voor een brandproef komt niet uit de lucht vallen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt het juridische fundament. Hierin staan de prestatie-eisen voor brandveiligheid onwrikbaar vastgelegd. Een constructie moet voldoen aan specifieke tijdsduurcriteria voor weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO). Geen discussie mogelijk. NEN 6069 is hierbij de cruciale schakel in de Nederlandse polder; deze norm koppelt de nationale eisen aan de Europese classificatienormen.
Het draait om de EN 13501-reeks. Deze normenset bepaalt hoe we testresultaten interpreteren en vertalen naar brandklassen zoals A1 of criteria als EI60. Fabrikanten ontkomen er niet aan. Voor bouwproducten die onder de Construction Products Regulation (CPR) vallen, is een brandproef vaak een verplicht onderdeel voor de CE-markering. Zonder geldig classificatierapport van een notified body is een product simpelweg niet toepasbaar in situaties waar brandwerendheid wettelijk vereist is. De wet eist veiligheid. De norm levert het meetbare bewijs. Toezichthouders en verzekeraars accepteren enkel rapportages die strikt volgens deze protocollen zijn opgesteld, aangezien de bewijslast bij de bouwer ligt.
Rond 1900 ontstonden de eerste gespecialiseerde testinstituten in Europa, vaak gevoed door de bittere ervaringen van grote stadsbranden. In Nederland speelde TNO decennialang een centrale rol. De beruchte ovens aan de Lange Kleiweg in Rijswijk vormden het decor voor duizenden proeven die de basis legden voor onze nationale bouwregelgeving. De echte versnelling kwam na de Tweede Wereldoorlog. De behoefte aan internationale vergelijkbaarheid leidde in de jaren zestig tot de ISO 834-norm. Dit was de geboorte van de standaardbrandkromme. Een abstracte maar noodzakelijke weergave van een brandverloop die we vandaag de dag nog steeds als referentiepunt gebruiken.
Sinds de jaren negentig heeft de Europese harmonisatie de sector definitief getransformeerd. De complexe transitie van nationale NEN-normen naar de allesomvattende EN-testnormen zorgde voor een uniformer speelveld binnen de EU. De focus verschoof daarbij aanzienlijk. Waar men vroeger enkel keek of een wand bleef staan, meten we nu met uiterste precisie de thermische isolatie en de beperking van warmtestraling. Het vakgebied is geëvolueerd van empirisch experiment naar een hoogwaardige wetenschappelijke discipline waarbij computermodellen de fysieke brandproef steeds vaker ondersteunen, maar nooit volledig kunnen vervangen.