Borgklosje

Laatst bijgewerkt: 18-01-2026


Definitie

Een borgklosje is een houten blokje dat in historische constructies wordt gebruikt om schoren of windschoren in hun pengat te fixeren en neerwaartse verschuiving te voorkomen.

Omschrijving

In de monumentale houtbouw is het borgklosje, ook wel bekend als het windschooraanzetklosje, een essentieel detail voor de stabiliteit van kapconstructies. Het fungeert als een sluitstuk. Wanneer een schoor in een muurstijl wordt geplaatst, is het pengat vaak groter dan strikt noodzakelijk om de montage van de zware balken überhaupt mogelijk te maken. De ontstane ruimte onder of boven de pen wordt na plaatsing opgevuld met dit klosje. Bij de Grote of St.-Bavo kerk in Haarlem vormt dit een iconisch voorbeeld van historisch vakmanschap; de klosjes voorkomen dat de schoor door de enorme kapbelasting uit het gat zakt. Vaak is het klosje zelf weer met een toognagel gezekerd in de stijl, waardoor een onwrikbare verbinding ontstaat die eeuwen trotseert.

Toepassing in de constructie

De montage van zware gebintconstructies start doorgaans met het inpassen van de schoor tussen de horizontale balk en de verticale stijl. Omdat een schoor diagonaal wordt geplaatst, is een direct sluitend pengat technisch onuitvoerbaar bij de opbouw van een reeds staand gebint. Er is bewegingsruimte nodig. Men kapt het gat in de stijl daarom aanzienlijk groter uit dan de breedte van de pen van de schoor, een noodzakelijke speling om de hoekverdraaiing tijdens het insteken te faciliteren.

Zodra de schoor op zijn definitieve plek zit, blijft er een loze ruimte over aan de onderzijde van de verbinding. Het borgklosje wordt hierna in deze opening geschoven. Dit houten element vult de ontstane leemte volledig op. De schoor rust hierdoor niet langer op de loze ruimte in het gat, maar krijgt een solide basis die directe overdracht van krachten naar de verticale stijl mogelijk maakt. Voor de definitieve fixatie vindt er een boring plaats dwars door de stijl en het ingebrachte borgklosje heen. Een houten toognagel wordt vervolgens met kracht in dit gat gedreven om het klosje onbeweeglijk op zijn positie te houden. Zo ontstaat een starre verbinding. Geen verschuiving mogelijk. De constructie is vergrendeld.


Typologie en vormvariaties

Geometrische varianten en de wigfunctie

In de praktijk is het borgklosje zelden een eenheidsworst. De vorm volgt de noodzaak van de ruimte in het pengat. Men onderscheidt hoofdzakelijk de rechte en de tapse variant. De rechte uitvoering is een strak passend blokje dat exact de overgebleven ruimte in de mortel vult. Een nadeel? Het biedt weinig ruimte voor correctie. De tapse variant daarentegen fungeert als een zware wig. Door dit type met kracht in de opening te drijven, ontstaat er voorspanning in de verbinding. De schoor wordt hierdoor strak tegen de bovenzijde van het gat gedrukt. Geen speling meer.

TypeKenmerkToepassing
Recht borgklosjeParallelle zijden, zuiver paswerk.Standaard gebintbouw bij stabiele constructies.
Taps borgklosje (spievorm)Wigvormig verloop.Constructies waar voorspanning gewenst is om zetting op te vangen.
Geprofileerd klosjeVoorzien van decoratieve afschuining of ojief.Zichtwerk in monumentale hallen of kerken.

Het windschooraanzetklosje

Hoewel de termen vaak door elkaar lopen, is het windschooraanzetklosje een specifieke functionele variant. Deze term wordt gereserveerd voor de blokjes die de schoren van het windverband fixeren. In complexe kapconstructies, zoals die van de St.-Bavo, zijn deze klosjes vaak robuuster uitgevoerd dan reguliere borgstukken. Ze vangen immers niet alleen verticale druk op, maar stabiliseren ook de zijdelingse krachten die door windbelasting op de kap ontstaan. De keuze voor eikenhout is hier de standaard. Grenen of vuren is te zacht. Het zou onder de enorme puntbelasting van de schoorpen simpelweg verbrijzelen.

Verschil met vulstukken en spietjes

Niet elk houten blokje in een verbinding is een borgklosje. Het onderscheid zit in de fixatie. Een vulstuk of 'shimm' ligt vaak los in een naad om een maatafwijking te corrigeren. Een borgklosje is een integraal onderdeel van de statische berekening van een historisch gebint. Het essentiële verschil? De toognagel. Een borgklosje wordt vrijwel altijd dwars doorboord en met een houten nagel in de stijl verankerd. Zonder deze nagel zou het klosje door trillingen of werking van het hout uit de verbinding kunnen trillen. Dan faalt de schoor. De constructie begeeft het. Dat voorkomen we.


Praktijksituaties en herkenning

Stel je een restauratietimmerman voor op een steiger in een achttiende-eeuwse schuur. Hij plaatst een loodzware eiken schoor tussen een gebintstijl en de bovenliggende balk. Omdat de schoor diagonaal moet, is het pengat in de stijl aan de onderzijde ruim vijf centimeter langer gekapt dan de pen zelf breed is. Zonder die extra ruimte krijg je de schoor simpelweg niet onder de juiste hoek naar binnen gekanteld. Zodra de schoor op zijn plek zit, gaapt daar dat gat. Hij pakt een precies passend blokje eikenhout, tikt dit in de loze ruimte en boort er direct een gat doorheen voor de toognagel. De schoor zit nu onwrikbaar vast. Geen beweging meer mogelijk.

Een ander voorbeeld tref je aan tijdens een bouwhistorische inspectie van een kerkkap. Je kijkt schuin omhoog naar de verbinding tussen een windschoor en een koningsstijl. Je ziet daar een klein houten blokje waarvan de nerfrichting haaks staat op die van de hoofdstijl. Het blokje zit klemvast. Er zit een verweerde houten nagel middenin. Dit is het moment waarop je weet: dit is geen reparatie van een rotte plek, maar een functioneel borgklosje. In monumenten zoals de Grote Kerk in Haarlem zijn deze details essentieel; ze vangen de enorme druk op die de kapconstructie op de verbindingen uitoefent. Zonder dat kleine klosje zou de schoor door de jaren heen langzaam naar beneden zakken, met alle gevolgen voor de stabiliteit van dien.


Normering en erfgoedrichtlijnen

De juridische context van het borgklosje is direct verankerd in de Erfgoedwet. Bij werkzaamheden aan rijksmonumenten geldt een strikt verbod op het beschadigen of ontsieren van de historische substantie. Een borgklosje is geen bijzaak. Het is onderdeel van het monumentale casco. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) biedt voor monumenten specifieke ruimte om af te wijken van moderne nieuwbouweisen, mits de constructieve veiligheid niet in het geding komt. Restauratie volgens de regels der kunst. Geen concessies aan de stabiliteit.

Voor de technische uitwerking grijpen professionals naar de uitvoeringsrichtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg. Specifiek URL 3001 voor Historische Houtconstructies. Deze richtlijn is leidend voor gecertificeerde restauratiebedrijven en omschrijft de omgang met historische verbindingen. Geen willekeur. De materiaalkeuze moet overeenstemmen met het bestaande werk. Eiken bij eiken. De toognagel moet de juiste passing hebben om de borging te garanderen. Wie deze standaarden negeert, riskeert verlies van monumentale waarde of zelfs constructief falen bij zware belasting. Handhaving vindt plaats via de gemeentelijke monumentenzorg. Toezicht op elke verbinding. Elk blokje telt.


De evolutie van montagevrijheid

De middeleeuwse meestertimmerman kende de beperkingen van eikenhout als geen ander. Zware balken lieten zich niet dwingen. Wanneer de kapconstructie van een kathedraal of een imposante tiendschuur werd opgericht, ontstond er een logistiek probleem bij de montage van diagonale verbindingen. Een schoor moest tussen twee reeds geplaatste vaste punten vallen. Dat past nooit exact zonder de boel te forceren. Men kapte de pengaten in de stijlen daarom bewust groter uit aan de onderzijde. Dit was geen slordigheid, maar een noodzakelijke pragmatische oplossing voor een fysiek obstakel tijdens de opbouw.

Het borgklosje werd de sluitsteen van de verbinding. In de vijftiende en zestiende eeuw verfijnde deze methode zich tot een vaste systematiek binnen de gilden. Waar het eerst wellicht een toevallig reststukje hout was, werd het in de late gotiek een gestandaardiseerd onderdeel van de houtbouwkunde. De krachten in de steeds groter wordende kapconstructies vereisten een onwrikbare fixatie. De toognagel werd toegevoegd. Hiermee verschoof de functie van louter opvulling naar een actieve constructieve borging.

Met de opkomst van industriële bouwmethoden in de negentiende eeuw raakte het borgklosje in de vergetelheid. IJzeren trekstangen en bouten vervingen de complexe houten verbindingen. Montagevrijheid werd voortaan gezocht in de speling van metaal op hout, niet langer in de slimme geometrie van de timmerman. Vandaag de dag is de historische ontwikkeling van dit kleine blokje vooral relevant binnen de restauratiefilosofie. Het herplaatsen van een ontbrekend borgklosje wordt nu gezien als een essentiële handeling om de oorspronkelijke krachtswerking van een monumentaal gebint te herstellen. Een bescheiden detail met een groots verleden.


Gebruikte bronnen:

Bronnen:

Joostdevree