Hoewel de term 'boogzaag' vaak direct associaties oproept met het zagen van hout, met name in een grovere context, dekt het principe van een zaagblad dat strak in een boogvormig frame is opgespannen feitelijk een breder scala aan gereedschappen. Het onderscheid zit hem primair in het te zagen materiaal en de specifieke uitvoering van het zaagblad.
De meest gangbare variant is inderdaad de houten boogzaag, specifiek ontworpen voor diverse houtbewerkingen. Hierin zien we subtypes gebaseerd op het blad: grove vertanding voor nat, vers hout – denk aan snoeien of het kortzagen van stammen; een grof vertand blad dat veel weg heeft van een kettingzaagprofiel, bijvoorbeeld. Fijnere tanden daarentegen zijn beter geschikt voor droger, harder hout, waar een schonere zaagsnede gewenst is. Ook in formaat variëren deze zagen aanzienlijk, van compacte snoeizagen tot robuuste tweemanszagen die voorheen gebruikt werden voor het vellen van bomen.
Daarnaast kennen we de metaalzaag of ijzerzaag, die in essentie een boogzaag is maar dan voor metaal. Het fundamentele ontwerp – een strak gespannen, smal blad in een beugel – is hetzelfde, alleen de tanden zijn hier vele malen kleiner en harder, afgestemd op de dichtheid van metaal. Dit is een directere variant dan men op het eerste gezicht zou denken. Soms spreekt men generiek over een beugelzaag, een koepelterm waaronder zowel de hout- als metaalvariant valt, maar 'boogzaag' refereert specifiek naar de klassieke uitvoering voor hout.
Een belangrijk onderscheid, om verwarring met andere handzagen te voorkomen, is het kader. Een boogzaag, ongeacht zijn toepassing, kenmerkt zich door dat frame en het gespannen blad. Dit staat in schril contrast met bijvoorbeeld een kapzaag, schrobzaag of een Japanse trekzaag, waarbij de stabiliteit en snijkracht volledig uit de stijfheid van het blad zelf, eventueel met een rug, of een specifieke trekbeweging gehaald wordt. Het spankader is dus de essentie van de boogzaag.
De boogzaag, in zijn meest fundamentele vorm, is geen recente uitvinding; haar principe wortelt diep in de geschiedenis van gereedschap maken. Al duizenden jaren geleden, bij beschavingen als de Egyptenaren en Romeinen, zag men reeds zaagbladen die dunner en effectiever konden zijn doordat ze strak werden gehouden in een houten frame. Deze vroege constructies maakten het mogelijk om met een relatief dun blad te werken, waardoor minder materiaal tot zaagsel werd verwerkt en het zagen efficiënter verliep dan met dikkere, stijve zaagbladen.
Aanvankelijk waren deze frames, zoals de naam al enigszins doet vermoeden, volledig van hout. De spanning op het zaagblad werd vaak gecreëerd door een systeem van touw en een draaihouten stokje, een zogenaamde windas of knevel, dat het frame samendrukte. Dit principe bleef eeuwenlang ongewijzigd en vormde de basis voor talloze zagen die in de middeleeuwen en ver daarbuiten werden gebruikt voor zowel grof houtwerk als fijner schrijnwerk.
Met de opkomst van betere metaalbewerkingstechnieken, met name tijdens de industriële revolutie, kwamen er steeds robuustere en duurzamere boogzagen. Houten frames werden geleidelijk aangevuld, en later vaak vervangen, door metalen beugels, wat de stijfheid en levensduur aanzienlijk verbeterde. De spankracht kon preciezer worden ingesteld met schroefmechanismen, waardoor zaagbladen nog dunner en harder konden zijn. Deze technische vooruitgang maakte de boogzaag onmisbaar voor houtbewerkers, timmerlieden en bosbouwers, die afhankelijk waren van handgereedschap voor het vellen van bomen en het verzagen van stammen. De directe afstammeling, de ijzerzaag of metaalzaag, kwam voort uit precies ditzelfde beugelprincipe, maar dan met een zaagblad dat was geoptimaliseerd voor het zagen van metaal, wat de universele toepasbaarheid van het oorspronkelijke concept nog eens onderstreepte. Hoewel moderne elektrische zagen veel van het werk hebben overgenomen, blijft het klassieke ontwerp van de boogzaag, dankzij zijn effectiviteit en eenvoud, nog steeds een relevante plek innemen in menig gereedschapskist.