De uitvoering van dit vloersysteem begint bij de logistiek en montage van geprefabriceerde vloerelementen op een tijdelijke onderstempeling. Deze breedplaatschillen, die reeds voorzien zijn van de kenmerkende bollenconfiguratie, worden met een kraan op exact de juiste positie gelegd. Nauwkeurigheid bij de aansluitingen is noodzakelijk om betonlekkage te voorkomen. Zodra de elementen rusten op de stempels, start het vlechten van de aanvullende wapening.
Koppelwapening en bovennetten worden handmatig of met behulp van stroken aangebracht over het gehele vloerveld. De complexiteit zit vaak in de randdetails en de doorvoeren voor installaties, die tussen de bollen door gepositioneerd moeten worden. Het stortproces zelf wijkt af van massieve vloeren door de opwaartse druk van de luchtgevulde bollen. Beton is zwaar. Lucht is licht. De bollen hebben de neiging te gaan drijven.
Om dit drijfvermogen te beheersen, wordt het beton doorgaans in fasen gestort. Een eerste laag fixeert de onderzijde van de bollen. Nadat deze laag enige stijfheid heeft ontwikkeld, volgt de rest van de stort. Men hanteert gecontroleerde stijgsnelheden om de druk op de korfwapening binnen de perken te houden. Het verdichten met trilnaalden gebeurt uiterst zorgvuldig; direct contact met de kunststof bollen wordt vermeden om schade te voorkomen. De uiteindelijke afwerking van het oppervlak vindt plaats conform de gestelde vlakheidseisen, vaak door middel van mechanisch vlinderen.
Stel je een uitgestrekte kantoorvloer voor waar nergens een dragende balk onder het plafond uitsteekt. Het plafond is één vlakke spiegel. Dit is een typisch scenario waarin de bollenplaatvloer schittert. Omdat de plaat in twee richtingen de krachten afdraagt naar de kolommen, zijn balken overbodig geworden. Je herkent het systeem op de bouwplaats direct aan de zee van gekleurde kunststof bollen — meestal zwart, groen of blauw — die in een strak rasterpatroon tussen de boven- en onderwapening liggen te wachten op de betonstort.
In een ziekenhuisproject met extreem zware medische apparatuur en een wens voor maximale flexibiliteit in de toekomst, kiest de constructeur vaak voor dit systeem. Het gewicht van de vloer zelf is laag, waardoor de restcapaciteit voor de variabele belasting (de apparatuur) optimaal benut kan worden.
Een ander herkenbaar moment is de renovatie of uitbreiding van een bestaand gebouw op een kritieke fundering. De bestaande palen kunnen niet meer dragen. Men wil echter wel een extra verdieping. Door bollen toe te passen in de nieuwe vloer, wordt de totale extra last op de oude fundering beperkt. Een lichte constructie met de stijfheid van beton. Soms zie je bij de randen van de vloer of rondom de kolommen dat de bollen ontbreken. Dat klopt. Hier is de dwarskracht het hoogst en is massief beton noodzakelijk voor de constructieve veiligheid. Het oogt daar even als een traditionele vloer, totdat het raster met bollen weer begint.
Kijk ook naar de installatietechniek. In moderne utiliteitsbouw worden leidingen voor ventilatie of elektra soms dwars door het bollenveld geslingerd. De bollen die in de weg zitten? Die laat men simpelweg weg. Zo ontstaat er ruimte voor een sparing zonder de hele vloeropbouw te verstoren. Een puzzel van beton en lucht.
Constructieve veiligheid is geen suggestie. Het is een harde eis binnen het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). Voor de berekening van bollenplaatvloeren vormt de NEN-EN 1992-reeks, beter bekend als Eurocode 2, de technische basis. Hierin staan de rekenregels voor betonconstructies centraal. Toch dekt de standaard Eurocode niet alle specifieke eigenschappen van een vloer die voor een groot deel uit lucht bestaat. De reductie van de dwarskrachtsterkte door de aanwezigheid van kunststof bollen vereist vaak specifieke aanvullingen op de standaardberekeningen.
Systeemeigenaren maken daarom veelvuldig gebruik van een European Technical Assessment (ETA) of een nationaal beoordelingsrichtlijn (BRL). Deze documenten valideren de specifieke rekenmodellen voor pons en dwarskracht die afwijken van massieve platen. De constructeur is verantwoordelijk voor de juiste toepassing van deze reductiefactoren. Geen ruimte voor aannames. De NEN-EN 13670 is leidend voor de uitvoering op de bouwplaats, waarbij aspecten zoals de fixatie van de bollen tegen opdrijven nauwgezet gevolgd moeten worden om de monolithische integriteit te waarborgen.
Brandveiligheid wordt getoetst aan de hand van NEN 6068 en NEN 6069. De betondekking op de wapening onder de bollen bepaalt de brandwerendheid van de hoofddraagconstructie. In veel gevallen volstaan standaardtabellen niet. Er moet dan aangetoond worden dat de holle ruimtes de temperatuurontwikkeling in de constructie niet nadelig beïnvloeden. KOMO-attesten bieden hier vaak de nodige zekerheid voor de vergunningsaanvraag bij het bevoegd gezag. Een gecertificeerd proces. Van fabriek tot stort.
De kiem voor de bollenplaatvloer werd gelegd in Denemarken. Jørgen Breuning ontwikkelde eind jaren tachtig een systeem om beton in de neutrale zone te elimineren zonder de twee-assige stijfheid aan te tasten. Dit leidde in 1990 tot het eerste patent onder de naam BubbleDeck. Een doorbraak. Het bood een antwoord op de groeiende vraag naar grotere overspanningen in de utiliteitsbouw zonder de noodzaak voor zware balkenrasters. Beton is zwaar. De constructieve noodzaak om massa te reduceren dreef de innovatie.
Hoewel men in de betonbouw al langer experimenteerde met holle ruimtes — denk aan kanaalplaten of het gebruik van houten blokken en kartonnen kokers in de vroege twintigste eeuw — vormde de industriële toepassing van gerecyclede kunststof bollen de definitieve stap naar schaalbaarheid. In de jaren negentig verspreidde de technologie zich over Europa. De markt professionaliseerde. In de vroege jaren 2000 verschenen alternatieve systemen zoals het Zwitserse Cobiax op het toneel, dat inspeelde op de behoefte aan dunnere vloeren door afgeplatte elementen te introduceren.
De integratie in de Nederlandse bouwpraktijk verliep niet zonder slag of stoot. Aanvankelijk ontbrak specifieke regelgeving voor dit type hybride vloer. Constructeurs rekenden vaak met reductiefactoren op basis van massieve platen, maar de behoefte aan uniformiteit leidde tot de ontwikkeling van specifieke beoordelingsrichtlijnen en Europese technische beoordelingen (ETA's). De evolutie van de rekenregels voor dwarskrachtsterkte en pons bleek cruciaal. Het systeem transformeerde van een experimentele niche-oplossing naar een gestandaardiseerd bouwsysteem dat inmiddels stevig verankerd is in de Eurocode-systematiek.