De inpassing van een blokkeel vindt plaats in de overgangszone tussen het verticale muurwerk en de schuine kap. Men plaatst het element horizontaal. Het overbrugt de fysieke afstand tussen de muurplaat en het spantbeen. De verbinding wordt vaak gerealiseerd middels inkepingen die precies in elkaar grijpen om verschuivingen door dakbelasting te verhinderen. In veel historische kapconstructies rust de blokkeel direct op een kreupele stijl. Deze stijl geleidt de neerwaartse druk van het dakvlak naar de onderliggende vloer of het muurwerk. Houten toogpennen borgen de constructie.
Bij geveluitkragingen steekt de blokkeel dwars door het gevelvlak heen. Het ene uiteinde is diep verankerd in de balklaag van de verdiepingsvloer, terwijl het uitstekende deel de puibalk van de overstekende etage ondersteunt. Deze opstelling vereist een nauwkeurige mechanische balans. De achterliggende constructie moet voldoende tegengewicht en stijfheid bieden om de hefboomwerking van de uitkraging op te vangen. Vaak een pengatverbinding. Eenvoudig, maar constructief noodzakelijk. Het gewicht van de bovenliggende geveldelen drukt de verbinding vast in de inkepingen van de blokkeel, waardoor een starre samenhang ontstaat zonder dat er complexe metalen ankers aan te pas komen.
De blokkeel manifesteert zich in twee gedaantes. De context bepaalt de naam. In de kapconstructie spreken we over de kapblokkeel. Deze variant zit verscholen achter het dakbeschot en vormt de cruciale schakel tussen het spantbeen en de muurplaat, vaak in directe samenwerking met een kreupele stijl om de stabiliteit van de kapvoet te waarborgen. Functioneel en onzichtbaar. De tweede variant is de overstekblokkeel of gevelblokkeel. Hierbij is het element juist van buitenaf zichtbaar en steekt het horizontaal door de gevel heen om de bovenliggende puibalk van een uitkraging te ondersteunen.
Regionale verschillen zorgen soms voor verwarring in de naamgeving. In sommige historische bronnen duikt de term 'blokdeel' op, of wordt er gesproken over een korte 'sleutel'. Echter, een sleutel is technisch gezien vaker een horizontaal hout in een ankerbalkgebint dat de verbinding borgt. Het is de schaal die telt. De blokkeel is kort en gedrongen. In tegenstelling tot een moerbalk die de volledige overspanning van een gebouw overbrugt, beperkt de blokkeel zich puur tot de lokale krachtsoverdracht bij de kapvoet of de uitkraging.
Niet elk horizontaal balkje is een blokkeel. De blokkeel is altijd horizontaal. Kort. Functioneel. Pas op voor verwarring met de korbeel; de blokkeel is te horizontaal voor een korbeel, die immers altijd een schuine schoor vormt om de hoek tussen stijl en balk te verstijven en zo een driehoeksverbinding creëert. Ook de klos dient onderscheiden te worden. Hoewel een klos ook ondersteunt, is deze vaak kleiner, minder diep verankerd in de achterliggende balklaag en dikwijls louter decoratief van aard.
Terwijl een sloof of muurplaat de lasten in de lengterichting van de muur verdeelt over het metselwerk, werkt de blokkeel juist dwars op deze lijn om de buitenwaartse druk van het spant op te vangen. Bij rijkere historische panden zien we soms geprofileerde blokkelen. Decoratie ontmoet constructie. Het uitstekende deel eindigt dan in een kraagsteen-achtige vorm of een eenvoudige afschuining, waardoor de overgang tussen gevel en uitkraging een esthetisch accent krijgt zonder de structurele integriteit te verliezen, wat essentieel is voor de balans van de pui.
In een totaal andere context, hoog op een donkere kerkzolder, bewijst de blokkeel zijn nut als onzichtbare krachtpatser. De enorme kapconstructie oefent een enorme druk uit op de buitenmuren. Het spantbeen wil naar buiten wijken. Hier ligt de blokkeel horizontaal ingeklemd in de kapvoet. Het verbindt de muurplaat met het spantbeen en de kreupele stijl. Een compacte driehoek. De spatkrachten worden door dit korte balkje effectief opgevangen en direct naar de vloerbalken of de muur geleid. Het voorkomt dat de kap de muren uit elkaar drukt. Geen tierelantijnen, puur constructief evenwicht.
De blokkeel vindt zijn oorsprong in de middeleeuwse stedelijke houtbouw. Ruimtegebrek dwong bouwmeesters de hoogte in. Kavels waren smal, dus groeide de woning boven de straat uit. De introductie van het overstek maakte dit mogelijk. De blokkeel vormde hierbij de constructieve spil. Het element maakte de overstap van de verticale pui naar de uitkragende verdiepingsvloer technisch haalbaar. Het was een logisch antwoord op de beperkte levensduur van onbeschermd hout; door de uitkraging bleven de onderliggende houten puien droog.
Vanaf de zestiende eeuw veranderde de rol van de blokkeel ingrijpend. Strenge brandverordeningen in steden zoals Amsterdam verboden houten gevels en grote overstekken. De baksteenrevolutie begon. De blokkeel verloor zijn prominente plek in het straatbeeld. Hij trok zich terug in de kapconstructie. Hier ontwikkelde het onderdeel zich van een eenvoudige drager tot een geraffineerd verbindingsstuk in de kapvoet.
De evolutie van de kapconstructies zelf, van eenvoudige sporenkappen naar complexe spantconstructies, versterkte deze transitie. De noodzaak om spatkrachten van zware pannendaken op te vangen werd groter. De blokkeel werd gecombineerd met de kreupele stijl om de stabiliteit te verhogen. Puur functioneel. Vaak verborgen achter de dakvoetbetimmering. Terwijl de esthetische variant aan de buitengevel uitstierf, bleef de technische variant in de kap een constante factor in de Nederlandse traditie van de kapbouw. In de restauratie-ethiek van vandaag wordt de blokkeel gezien als een indicator voor de ouderdom van een kap; de wijze van inkeping en de gebruikte toogpennen verraden vaak de specifieke bouwperiode.