De uitvoering van blokbepleistering begint bij de opbouw van een substantiële mortellaag. Deze laag moet dik genoeg zijn om de beoogde diepte van de voegen te kunnen dragen zonder dat de onderliggende constructie zichtbaar wordt. Het draait om timing. Men wacht tot de mortel voldoende is aangetrokken, maar nog plastisch genoeg blijft voor handmatige bewerking. Met een smetlijn en een rei zet de stukadoor de horizontale lijnen uit over de volledige breedte van de gevel. Strakke banen vormen het fundament. Vervolgens snijdt men met een voegijzer of een speciaal geprepareerde lat de groeven in de verse massa, waarbij overtollig materiaal direct wordt verwijderd om scherpe randen te waarborgen.
Nadat de horizontale lijnen staan, volgen de verticale stootvoegen. Deze worden vaak in een verspringend patroon aangebracht om de esthetiek van een traditioneel metselverband te simuleren. Precisie is hierbij cruciaal; een kleine afwijking in de haaksheid verstoort de illusie van massief steenwerk direct. Soms worden de randen van de gecreëerde blokken onder een hoek afgeschuind — een techniek die bekendstaat als bossage — om extra diepte en reliëf te genereren. Bij invallend strijklicht zorgen deze schuine kanten voor een krachtig schaduwspel. Het oppervlak van de 'stenen' zelf kan daarnaast nog worden bewerkt met een fijn schuurbord of een kam om de specifieke textuur van zandsteen of kalksteen na te bootsen, afhankelijk van de architectonische context van het gebouw.
Binnen het ambacht van de blokbepleistering bepaalt de profilering de uiteindelijke uitstraling van het gevelbeeld. Een veelvoorkomende variant is de bossage, waarbij de randen van de gesuggereerde blokken onder een hoek zijn afgeschuind of voorzien van een vellingkant. Dit creëert een krachtig schaduweffect. Men spreekt van rustica-stucwerk zodra de 'spiegel' — het platte vlak van de steen — een ruwe of gepikte textuur krijgt. Soms blijft de bewerking beperkt tot enkel horizontale insnijdingen. Deze vorm, bekend als bandbepleistering of bandstuc, suggereert gestapelde lagen zonder verticale stootvoegen en wordt frequent ingezet om de horizontaliteit van een gebouw te benadrukken. Strak en sober. Of de volledige gevelvlakken die hiermee worden bedekt, wat een heel andere dynamiek geeft dan een subtiele plintafwerking waarbij slechts de onderste meters van een pand dit zware uiterlijk meekrijgen.
Hoewel de termen vaak door elkaar vloeien, dient blokbepleistering niet verward te worden met simpel voegwerk in metselwerk. Het is een volledige afdeklaag. Bij vlakke blokbepleistering zijn de voegen enkel als dunne lijnen in de natte mortel getrokken, zonder dat er sprake is van dieptewerking in de blokken zelf. Dit verschilt wezenlijk van de zwaarder aangezette imitaties waarbij men met verschillende mortellagen werkt om een driedimensionaal effect te bereiken. In de restauratiepraktijk ziet men bovendien vaak imitatie-natuursteen waarbij de kleur van de mortel door-en-door is aangepast aan de gewenste steensoort, zoals Bentheimer of zandsteen, waardoor schilderwerk achterwege kan blijven. Een kwestie van materiaaleigen pigmentatie. Soms worden er zelfs glimmers of kwartszand aan de toplaag toegevoegd om de specifieke textuur van gesteente nog geloofwaardiger te maken voor het oog van de argeloze voorbijganger.
Een verwaarloosde negentiende-eeuwse gevel krijgt een tweede leven. Waar voorheen schraal metselwerk zichtbaar was, prijkt nu een overtuigende imitatie van zandsteen. De stukadoor zet de lijnen uit met een smetlijn. Strakke horizontale banen. Korte verticale stoten. Het resultaat is een gevel die autoriteit uitstraalt zonder de kosten van massieve natuursteen. Klassiek gezichtsbedrog op z'n best.
Kijk naar de onderzijde van een eclectisch pand. De eerste anderhalve meter boven het maaiveld is uitgevoerd in zware bossage. Diepe, schuine voegen vangen het zonlicht en werpen scherpe schaduwen op de gevel. Dit geeft het gebouw een visueel anker. Het suggereert een massieve basis die de rest van de constructie draagt. In werkelijkheid? Slechts een esthetische schil van mortel.
Een oude gevel vol littekens. Dichtgemetselde ramen en drie verschillende soorten baksteen vormen een rommelig geheel dat het straatbeeld ontsiert. Blokbepleistering biedt hier de uitkomst. Een dikke raaplaag vlakt de onregelmatigheden volledig uit. De getrokken voegen dwingen het oog naar de structuur van het blokkenpatroon. Niemand ziet de lappendeken van oud metselwerk die eronder schuilgaat. Praktisch en doeltreffend.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) kijkt vooral naar de brandveiligheid en de prestaties van de thermische schil. Bij het combineren van blokbepleistering met gevelisolatie verschuiven de bouwfysische grenzen direct. Condensatie en vorstschade liggen op de loer bij een verkeerde materiaalkeuze of een te dampdichte afwerking. NEN-EN 13914-1 geeft de Europese kaders voor het ontwerpen en aanbrengen van buitenpleister. Geen wet, wel de vigerende norm voor de vakman. Lokale welstandsnota's kunnen daarnaast specifieke eisen stellen aan de profilering of kleurstelling om de eenheid in het straatbeeld te bewaken. Precisiewerk binnen een strak juridisch keurslijf.
Niet uit weelde, maar uit noodzaak geboren. Al in de Renaissance zochten bouwmeesters naar manieren om baksteen te maskeren, direct geïnspireerd door de Romeinse opus quadratum-techniek waarbij massieve blokken de architectonische norm waren. De echte vlucht kwam echter pas in de negentiende eeuw. De burgerij wilde status. Natuursteen bleef onbetaalbaar voor de massa-woningbouw in de snel uitdijende Europese steden. Baksteen was de realiteit, maar natuursteen de ambitie. De stukadoor werd de illusionist van de gevelwand.
Aanvankelijk werkte men uitsluitend met vette kalkmortels. Traag drogend. Zacht van karakter. De komst van portlandcement rond 1850 veranderde het spel fundamenteel. De mortel werd harder en de voegen konden aanzienlijk scherper worden getrokken. Gevels kregen een monolithisch karakter dat voorheen ondenkbaar was voor de modale huizenbezitter. Tijdens de bloeiperiode van de neostijlen en het eclecticisme bereikte het ambacht zijn technisch kookpunt; zelfs eenvoudige herenhuizen kregen plotseling de allure van een Italiaans palazzo. Na de Eerste Wereldoorlog kwam de klad erin. De opkomst van het Modernisme predikte absolute eerlijkheid in materiaalgebruik. Schijnvoegen werden verketterd als architectonische leugen. De techniek trok zich terug in de luwte van de restauratiesector, waar het tot op de dag van vandaag de littekens van het verleden wegpoetst.