De feitelijke verwerking begint doorgaans bij de rol. Banen worden op maat gesneden. In de bouw wordt het lood vervolgens gepositioneerd in de lintvoeg of een vooraf uitgeslepen gleuf in het metselwerk. Vastzetten gebeurt mechanisch. Met loodpropjes of rvs-klemmen. De voeg wordt daarna dichtgezet met specie, waardoor de bovenkant van de slabbe definitief verankerd is. Het lood hangt dan vrij over de aansluiting.
Het vervormen is een fysiek proces. Men drijft het metaal. Met een loodklopper volgt het materiaal de contouren van de onderliggende dakpannen of dakbedekking, een handeling die de plaat dwingt in de holtes en over de welvingen van het dakvlak te plooien. Bij hellende vlakken, zoals bij een schoorsteen, past men vaak loketten toe. Dit zijn kortere, trapsgewijs over elkaar geplaatste stroken die de helling van het dak volgen. Regenwater stroomt zo van het ene deel op het andere. Geen kans op inwatering.
Lood werkt door temperatuurverschillen. Het zet uit en krimpt weer in. Om spanningen en scheurvorming te voorkomen, worden lange aansluitingen opgedeeld in kortere stukken met voldoende overlap. Een felsverbinding wordt ook toegepast om twee delen waterdicht te koppelen zonder de vrije werking te belemmeren. Direct na de montage treedt oxidatie op door contact met de buitenlucht. Om te voorkomen dat afspoelend loodcarbonaat witte vlekken achterlaat op het onderliggende metselwerk, wordt het oppervlak vaak ingewreven met patineerolie. Dit fixeert de laag en zorgt voor een egale, donkergrijze uitstraling. Soms wordt de onderzijde van de slabbe voorzien van een kleine ombuiging. Een waterkering. Dit onderbreekt de capillaire werking van regenwater.
Maatvoering in gewicht is leidend. Bladlood wordt geclassificeerd op basis van het aantal kilo's per vierkante meter, waarbij de dikte direct correleert met de massa. In de praktijk spreken we over codes. Code 15 weegt precies vijftien kilo per meter. Het is dun en soepel. Uitermate geschikt voor kleine details, maar kwetsbaar bij grote temperatuurschommelingen. Code 18 is de meest geaccepteerde standaard voor algemeen loodwerk rondom dakkapellen en schoorstenen. Voor goten en kritieke waterdichtingen kiest men vaker voor code 25 of zelfs code 35. Dikker materiaal is lastiger te kloppen. Het vergt meer kracht en precisie. Toch biedt deze massa de nodige stabiliteit in gebieden met veel windbelasting, omdat het simpelweg te zwaar is om door een windvlaag te worden opgetild.
Niet elk lood verlaat de fabriek als kaal, gewalst metaal. Er bestaan kleurvarianten. Gelakt bladlood, vaak in baksteenrood of antraciet, wordt toegepast om de esthetische eenheid van het dakvlak te bewaren; het valt weg tegen de kleur van de dakpan. Dan is er nog de zelfklevende variant. Deze is aan de onderzijde voorzien van een sterke lijmlaag. Vooral handig op locaties waar mechanische bevestiging lastig is of waar opwaaien absoluut voorkomen moet worden. Voor de restauratie van historische panden wordt soms specifiek gevraagd om zandgegoten lood. Dit verschilt van de standaard gewalste variant door de kristalstructuur. Het is minder egaal van structuur maar bezit een enorme duurzaamheid die zich in eeuwenoude monumenten reeds heeft bewezen. Het oppervlak oogt ruwer. Ambachtelijker ook.
Loodvervangers zijn geen bladlood. Dit is een cruciaal onderscheid. Hoewel materialen op basis van EPDM of gemodificeerd bitumen met een strekmetaal-inlage vaak 'lood' worden genoemd in de volksmond, missen ze de unieke eigenschappen van het zware metaal. Ze zijn lichter. Dat werkt sneller. Maar de massa ontbreekt. Waar echt bladlood blijft liggen door zijn eigen gewicht, vertrouwen vervangers volledig op hun kleefkracht. Bij complexe, driedimensionale vervormingen blijft authentiek bladlood superieur; het laat zich drijven en stuiken op een manier die kunststoffen simpelweg niet kunnen nabootsen zonder te scheuren of te plooien op ongewenste plekken.
Een bakstenen schoorsteen die halverwege het dakvlak omhoog komt. Hier zie je het bladlood niet als één lange strook, maar in kleine, trapsgewijze segmenten. Dit zijn loketten. Elke slabbe is apart in de voeg verankerd en valt over de onderliggende heen. Het volgt de helling. Regenwater stroomt zo van trede naar trede omlaag zonder het dakbeschot te raken. Een klassiek beeld van waterdicht vakmanschap.
Kijk naar de aansluiting onder een dakkapel. Het lood hangt daar als een grijze schort over de dakpannen. De vakman heeft met een loodklopper het metaal exact in de golvingen van de S-pannen gedreven. Het materiaal vloeit als het ware over de vormen heen. Geen kieren. Geen openingen voor stuifsneeuw. Het lood blijft door zijn eigen massa strak op de pannen liggen, zelfs wanneer een storm aan de gevel trekt.
Bij een monumentale kerk zie je vaak dikker loodwerk op de dakkapellen of bij de kilgoten. Het oppervlak oogt hier soms wat ruwer, minder machinaal. Dit is zandgegoten lood. Het is zwaarder. Het oogt authentiek en past bij de robuuste uitstraling van historische bouwmaterialen. Geen glans, maar een diepe, matte grijstint die de eeuwen trotseert.
Soms zie je bij nieuwbouw projecten lood met witte strepen op de bakstenen eronder. Een teken dat de patineerolie is vergeten. Het lood oxideert en de regen spoelt het witte loodcarbonaat over de gevel. Bij een correcte uitvoering zie je dat niet. Daar blijft het lood egaal donkergrijs en de onderliggende muur schoon. Een klein detail in de afwerking met grote visuele gevolgen voor het metselwerk.
Waterdichtheid is geen keuze; het is een harde eis binnen het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). De uitwendige scheidingsconstructie moet indringing van regenwater weren. Bladlood vormt hierin de fysieke barrière bij aansluitingen die anders een lekrisico vormen. NEN 2778 biedt de methodiek om de waterdichtheid van gebouwen te bepalen. Hoewel de norm niet specifiek het gebruik van lood dicteert, is de toepassing ervan een beproefde methode om aan de prestatie-eisen voor aansluitdetails te voldoen. Het gaat om resultaat. Geen lekkage.
Bij de restauratie van monumenten gelden strengere esthetische en technische kaders. De uitvoeringsrichtlijn URL 4011 voor historisch lood- en zinkwerk is hier leidend. Deze richtlijn stelt eisen aan de materiaalkwaliteit en de ambachtelijke verwerkingsmethoden. Het borgen van de historische waarde staat centraal. Vaak wordt hierbij specifiek verwezen naar de noodzaak voor zandgegoten lood bij monumentale panden.
Lood is een zwaar metaal. De verwerking valt onder het Arbeidsomstandighedenbesluit vanwege de gezondheidsrisico's bij langdurige blootstelling. Hygiëne op de bouwplaats is essentieel. Handen wassen voor het eten. Roken tijdens het kloppen is uit den boze. Daarnaast speelt de fysieke belasting een rol. Rollen bladlood van code 25 of hoger zijn loodzwaar. De Arbowet stelt grenzen aan het handmatig tillen van dergelijke gewichten. Mechanische hulpmiddelen zijn bij grote hoeveelheden verplicht om rugletsel te voorkomen.
Milieutechnisch valt lood onder strikte Europese regelgeving zoals REACH. Ondanks de classificatie als zorgwekkende stof, blijft de toepassing in de bouw toegestaan mits correct toegepast. Dit heeft te maken met de hoge circulariteit. Meer dan 95 procent van het gebruikte bladlood in de Nederlandse bouw is gerecycled materiaal. Het metaal verliest bij omsmelting geen kwalitatieve eigenschappen. Een gesloten keten.
Romeinen gebruikten het al. Voor buizen en daken. De techniek was destijds simpel maar doeltreffend: vloeibaar lood uitgieten over een strakgetrokken zandbed. Dit zandgegoten lood bleef de standaard tot diep in de negentiende eeuw. Dik, zwaar en met een karakteristieke, onregelmatige structuur die je nu nog enkel op monumenten ziet. Het ambacht bepaalde de kwaliteit; de gietmeester moest het metaal in één vloeiende beweging over de tafel verspreiden om gaten te voorkomen.
De industriële revolutie bracht de walsmachine. Opeens konden fabrikanten lood tot op de fractie van een millimeter nauwkeurig produceren. Dunner, lichter en vooral constanter van kwaliteit. De introductie van gewalst lood democratiseerde het materiaal. Het werd betaalbaar voor de gewone woningbouw en verving langzaam maar zeker de dikkere, gegoten varianten voor alledaagse aansluitingen. De rollen werden hanteerbaar. De bouw versnelde.
Technisch veranderde er meer dan alleen de dikte. De toevoeging van een minimale hoeveelheid koper was een cruciale innovatie in de twintigste eeuw. Dit zogenaamde kopergegaliseerde lood maakte het metaal minder gevoelig voor vermoeidheid door krimp en uitzetting. Metaalmoeheid was voorheen een groot probleem bij grote dakoppervlakken. Nu niet meer. De kristalstructuur werd stabieler.
Tegelijkertijd veranderde de bron van het materiaal drastisch. Waar lood vroeger uit mijnen kwam, verschoof de productie naar recycling. Bladlood werd een van de eerste echte circulaire bouwmaterialen. Vrijwel al het lood dat vandaag de dag op een dakkapel wordt geklopt, heeft al een vorig leven achter de rug. Vaak als oude waterleiding of als dakbedekking van een gesloopt pand. De industrie reageerde bovendien op esthetische en milieutechnische bezwaren met de ontwikkeling van patineeroliën en coatings, waardoor de bekende witte oxidatiestrepen op metselwerk definitief tot het verleden behoren bij een juiste verwerking.
Encyclo | Uzimet | Loodzinkexperts | Bmn