De vorming van een bindmiddelhuid start direct na het gieten van de vloeivloer. Terwijl de zwaardere bestanddelen door de zwaartekracht naar beneden zakken, dwingt de interne druk het overtollige aanmaakwater naar het oppervlak. Dit water fungeert als transportmiddel voor de fijnste deeltjes. Een drijvende laag ontstaat. Naarmate de hydratatie vordert en het vocht verdampt, kristalliseert deze laag uit tot een harde, maar brosse schil die de open poriën van de vloer afsluit.
In de praktijk wordt de huid mechanisch verwijderd. Dit is essentieel. Vaak gebeurt dit door de vloer te schuren met een roterende schuurmachine, uitgerust met grofkorrelige segmenten of schuurpapier (korrel 16 of 24). Het juiste moment is cruciaal; te vroeg schuren beschadigt de nog zachte mortel, terwijl te laat schuren de inzet van zwaardere diamantsegmenten vereist. Bij sommige anhydrietsoorten wordt de huid kort na het storten al 'gebroken' door middel van een drijfrei, maar de definitieve verwijdering vindt vrijwel altijd plaats na een droogtijd van enkele dagen. Het vrijgekomen fijne stof wordt aansluitend met industriële stofzuigers verwijderd. Een correct behandelde vloer vertoont een egaal, mat en absorberend oppervlak. Zonder deze ingreep kan een primer niet indringen. De hechting van de uiteindelijke vloerafwerking is dan onvoldoende.
Bleeding vormt de kern van het probleem. Zodra een vloeibare dekvloer, zoals anhydriet of gietvloer, is aangebracht, treedt er een proces van ontmenging op. Zware toeslagstoffen zinken door de zwaartekracht naar de bodem. Het lichtere aanmaakwater wordt hierdoor naar het oppervlak geperst. Tijdens deze opwaartse beweging neemt de vloeistofstroom de fijnste deeltjes in de mortel mee. Dit zijn meestal bindmiddelconcentraties en microscopisch kleine vulstoffen. Aan de lucht verdampt het water, maar de meegevoerde deeltjes blijven achter. Er vindt een kristallisatieproces plaats. Dit resulteert in een dichte, brosse schil die de natuurlijke structuur van de vloer afsluit. Een te hoge water-cementfactor of een overschot aan vloeimiddel versnelt dit proces aanzienlijk.
Een structurele scheidingslaag. Dat is de realiteit. De aanwezigheid van een bindmiddelhuid vormt een kritiek risico voor elke volgende bewerkingsstap. Omdat de huid technisch gezien een verzameling losjes verbonden fijne deeltjes is, ontbreekt het aan interne cohesie. De treksterkte is nihil. Wanneer lijm voor parket, PVC of tegels uithardt, ontstaan er krimpspanningen. Deze spanningen trekken de bindmiddelhuid simpelweg los van de gezonde kern van de dekvloer. De hechting faalt onherroepelijk. De vloerbedekking komt hol te liggen of laat in zijn geheel los.
Bovendien fungeert de laag als een dampremmende barrière. De poriën zitten dicht. Het restvocht in de diepere lagen van de vloer kan hierdoor niet of nauwelijks ontsnappen. Dit vertraagt de droogtijd van de gehele constructie aanzienlijk. Voor vochtgevoelige afwerkingen, zoals massief hout, vormt dit een sluimerend gevaar voor latere schade door opstijgend vocht dat vast komt te zitten onder de afwerking. Een brosse toplaag. Onvoldoende indringing van primers. Het resultaat is altijd een inferieure basis voor verdere afwerking.
Niet elke bindmiddelhuid vertoont hetzelfde karakter. De fysieke eigenschappen hangen nauw samen met het type bindmiddel. Bij anhydrietvloeren manifesteert zich vaak de beruchte sinterlaag. Dit is een keiharde, glazige schaal. Het oppervlak glanst verraderlijk. Ondanks de hardheid ontbreekt elke vorm van hechting met de onderliggende massa. Bij cementgebonden systemen spreken we vaker over een cementhuid of een sliklaag. Deze variant is doorgaans matter en aanzienlijk poederiger dan de calciumsulfaat-variant. Je loopt de laag er bijna letterlijk vanaf.
De dikte varieert aanzienlijk per situatie. Soms is het slechts een micron-dunne waas, terwijl een overgedoseerde gietmortel een huid van enkele millimeters kan vormen. Dan is er nog de carbonaathuid. Dit is een specifieke variant waarbij de oppervlakte chemisch reageert met kooldioxide uit de omgevingslucht. Dit proces creëert een dichte, brosse structuur die fundamenteel afwijkt van de gezonde kern van de vloer. Verwarring ontstaat soms met een zogenaamde 'verbrande' vloer; daar is de toplaag echter zwak door een acuut vochttekort tijdens de hydratatie, en niet door een overschot aan fijne deeltjes. Het onderscheid tussen deze twee is essentieel voor de keuze van de juiste herstelmethode.
Een tegelzetter knielt op een pas opgeleverde anhydrietvloer. De zon valt schuin op het oppervlak en de vloer glinstert als een spiegel. Hij trekt met de punt van een timmermanspotlood een stevige streep over het oppervlak. Direct ontstaat er een witte, poederige voren en springen er minuscule schilfers weg. Dit is geen teken van een zwakke vloer, maar het visuele bewijs van een aanwezige sinterlaag. Zonder mechanische bewerking zal de tegellijm straks niet aan de gezonde vloer hechten, maar aan dit flinterdunne, brosse vlies.
In een ander scenario arriveert een stoffeerder voor een PVC-klus. Bij het aanbrengen van de primer merkt hij dat de vloeistof simpelweg niet in de vloer trekt. Het blijft in parels op het oppervlak staan. Alsof de vloer is ingevet. De dichte bindmiddelhuid heeft de poriën van de dekvloer volledig verzegeld. De primer kan zijn werk niet doen en de hechting wordt onmogelijk. Hier moet de schuurmachine met korrel 24 aan te pas komen tot de vloer weer een mat, zuigend uiterlijk krijgt.
Soms wordt de schade pas maanden na oplevering zichtbaar. Denk aan een parketteur die een eiken vloer rechtstreeks heeft verlijmd op een dekvloer die niet was geschuurd. De gebruikte lijm is constructief zeer sterk. Tijdens de eerste winter, wanneer de luchtvochtigheid daalt, gaat de lijm licht trekken door de natuurlijke werking van het hout. De bindmiddelhuid heeft echter geen structurele cohesie met de ondergrond. De huid scheurt simpelweg los van de kern van de vloer. Het resultaat is een vloer die bij elke stap hol klinkt; de lijm zit nog perfect aan de plank en aan de witte huid vast, maar de verbinding met de rest van de vloer is definitief verbroken.
NEN 2741 vormt het fundament voor de beoordeling van cementgebonden dekvloeren in Nederland. De norm is onverbiddelijk over de oppervlaktekwaliteit. Een dekvloer moet geschikt zijn voor de beoogde afwerking. Een bindmiddelhuid belemmert dit direct. De norm vereist een ondergrond die vrij is van stoffen die de hechting nadelig beïnvloeden. Sinterlagen en cementhuiden vallen daar onder. Voor calciumsulfaatgebonden gietvloeren is NEN-EN 13454 relevant, specifiek voor de eigenschappen van het bindmiddel. Hoewel deze normen technische specificaties geven, dwingt het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) indirect tot naleving via de algemene eisen voor deugdelijkheid en veiligheid van constructies. Een vloer die onthecht door een brosse toplaag voldoet simpelweg niet aan de prestatie-eisen van een gebouw.
De Europese productnorm NEN-EN 13813 classificeert mortels op basis van druk- en buigtreksterkte. Een mortel kan glansrijk slagen voor klasse C25 of F4, terwijl de fysieke toplaag door excessieve bleeding technisch waardeloos is. De classificatie geldt voor de kern van het materiaal. Niet voor de brosse schil. In juridische geschillen over onthechting wordt vaak gekeken naar de richtlijnen van het Technisch Bureau Afbouw (TBA). Hoewel dit geen wetgeving is, fungeert het in de rechtszaal als de 'stand der techniek'. Wie is verantwoordelijk voor de verwijdering? Dat is een contractuele vraag. Maar de technische noodzaak staat vast. NEN 2741 schrijft voor dat de hechttreksterkte van het oppervlak moet aansluiten bij de krachten die de vloerafwerking uitoefent. Bij parket is dat vaak een minimum van 1,0 N/mm². Een bindmiddelhuid haalt dat zelden. Het negeren van deze mechanische eigenschappen leidt onvermijdelijk tot aansprakelijkheid bij schadegevallen.
Vroeger was de zandcementdekvloer de onbetwiste standaard in de woningbouw. Deze vloeren werden aardvochtig aangebracht. Men stampte de mortel aan. Omdat de water-cementfactor relatief laag was, bleef het bindmiddel keurig tussen de zandkorrels zitten. Van een bindmiddelhuid was nauwelijks sprake. De opkomst van vloeivloeren in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw veranderde dit landschap fundamenteel. De introductie van anhydriet als bindmiddel maakte het mogelijk om grote oppervlakken in recordtijd te gieten. Mechanisering bracht snelheid. Maar de natuurkunde eiste haar tol. Door de hoge vloeibaarheid en het gebruik van vloeimiddelen ontstond sedimentatie. Zware delen zakten. Licht water met fijn bindmiddel steeg. De beruchte sinterlaag deed zijn intrede als bijproduct van technologische vooruitgang.
Aanvankelijk werd de aanwezigheid van deze huid in de bouwsector onderschat. Tapijt en dikke linoleumvloeren maskeerden veel. De problemen begonnen pas echt toen vloerafwerkingen kritischer werden. De verschuiving naar dunne PVC-vloeren en grotere keramische tegels legde de zwakte van de toplaag genadeloos bloot. Wat voorheen werd afgedaan als een cosmetisch glanslaagje, bleek een constructieve barrière. De praktijk dwong tot nieuwe regels. Schuren werd van een optionele bewerking een bittere noodzaak voor garantiebehoud.
De noodzaak voor objectieve kwaliteit leidde tot de ontwikkeling van specifieke normen zoals de NEN 2741. Waar men vroeger vertrouwde op het oog van de vakman, kwamen er nu eisen aan de hechttreksterkte. De industrie reageerde met gespecialiseerde machines. De eenvoudige schuurpad maakte plaats voor zware planetaire schuurmachines met diamantsegmenten. Fabrikanten van gietmortels pasten hun recepturen aan om bleeding te minimaliseren, maar de bindmiddelhuid bleef een inherent risico van het vloeiproces. In moderne bestekken is de verwijdering van de bindmiddelhuid inmiddels stevig verankerd als een aparte post. Het is de evolutie van een onvoorzien neveneffect naar een beheerst onderdeel van het bouwproces. Geen toeval meer, maar techniek.