De realisatie van een beun begint bij het vaststellen van de draagpunten, waarbij horizontale liggers of balken de primaire structuur vormen. In historische contexten rusten deze balken vaak direct op de wanden van een bedstee of worden zij opgenomen in de gebintconstructie van een boerderij. De overspanning bepaalt de zwaarte van het hout. De beplanking volgt. Deze wordt dwars op de draagrichting van de balken aangebracht, waarbij de planken koud tegen elkaar aan liggen of met een lichte tussenruimte voor ventilatie.
Bij tijdelijke toepassingen op de bouwplaats is de uitvoering minder permanent. Men legt steigerplanken of houten schotten over een bestaande balklaag die nog niet is dichtgelegd. De fixatie is hier minimaal. Soms liggen de delen los. Functionaliteit prevaleert boven esthetiek. Wanneer de beun een permanente functie krijgt als opslagzolder, worden de vloerdelen vaak vernageld aan de onderliggende balken om verschuiven te voorkomen. Indien toegang noodzakelijk is, wordt er in de plankenvloer een eenvoudige opening gelaten, soms versterkt door een raveelhout. De constructie kenmerkt zich door soberheid. Geen complexe verbindingen. De draagkracht vloeit direct voort uit de materiaaldikte en de korte afstand tussen de steunpunten.
In de historische architectuur en de dagelijkse bouwpraktijk varieert de beun sterk in uitvoering en locatie. De bedsteebeun is een klassieker. Men vindt deze bovenop de houten ombouwen van slaapplaatsen in oude boerderijen. Vaak gebruikt voor de opslag van linnengoed of als extra slaapplek voor kinderen. Klein van stuk. Functioneel ingeklemd tussen de bedstee en de balklaag van de zolder.
De stalbeun bevindt zich boven het vee. Hier fungeert de constructie als extra hooiopslag of bergingsruimte voor gereedschap. De warmte van de dieren trekt omhoog, wat de opgeslagen materialen droog hield. In de moderne utiliteitsbouw spreekt men eerder van een tijdelijke beun. Dit is puur een werkplatform. Een paar losse steigerdelen over een open balklaag. Geen spijkers, enkel het gewicht van het hout houdt de boel op zijn plek. Het is een provisorium.
Er ontstaat vaak verwarring met de term vliering. Een vliering beslaat echter meestal de volledige breedte van het gebouw onder de nok. De beun is lokaler. Kleiner. Het is een toevoeging in een bestaande ruimte, geen volledige verdieping op zich. Soms valt de term ook in de scheepsbouw, de visbeun, maar dat betreft een waterdicht compartiment in een schip; constructief totaal onvergelijkbaar met de bouwkundige variant. In de volksmond wordt een ongeschoolde vakman weleens een 'beunhaas' genoemd. Dit heeft niets te maken met de houten constructie, maar duidt op werkzaamheden buiten de officiële gilden of regels om.
Stel je een restauratie voor van een 18e-eeuwse boerderij. Boven de eikenhouten bedstee-ombouw ontdek je een laag vloertje. Dit is de klassieke bedsteebeun. Geen vaste trap. Alleen een losse ladder voor toegang tot de stapels linnengoed die daar droog en stofvrij liggen.
Op de moderne bouwplaats zie je het anders. Een renovatieproject in een oud herenhuis. De zware balklaag ligt volledig bloot voor inspectie. Om toch veilig te kunnen werken aan het bovenliggende stucwerk, legt de timmerman drie dikke steigerplanken dwars over de balken. Een tijdelijke beun. Snel gelegd. Even snel weer weg. Geen enkele schroef komt eraan te pas; het eigen gewicht van het hout volstaat voor een stabiel loopvlak.
In een hoge werkplaats fungeert een beun vaak als een soort entresol voor opslag. Twee robuuste liggers tussen de wanden geklemd met daarop grove vellingdelen. Hier staan de lege verfblikken en de winterbanden. Het benut de loze ruimte boven de werkbank perfect. Een nuchtere oplossing. Je creëert extra meters zonder de constructie van het hele pand aan te tasten.
Constructieve veiligheid is geen suggestie. Zodra een beun wordt ingezet als permanente opslagruimte of extra vloeroppervlak, moet de constructie voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). De vloerbelasting is hierbij cruciaal. Voor een opslagfunctie gelden andere minimale waarden dan voor een verblijfsruimte. Men moet de draagkracht berekenen conform de relevante Eurocodes, zoals NEN-EN 1991, om bezwijken onder belasting te voorkomen. Een beun mag dan wel simpel ogen, de achterliggende techniek moet de last kunnen dragen. Puntbelasting van zware kisten kan funest zijn voor dunne vellingdelen.
Valgevaar is een ander kritisch punt. Het Arbobesluit stelt strikte regels voor tijdelijke beunen op de bouwplaats. Bij een hoogteverschil van meer dan 2,5 meter is valbeveiliging simpelweg verplicht. Soms zelfs lager. Dit betekent leuningwerk of randbeveiliging. Losliggende steigerplanken zonder fixatie zijn uit den boze in professionele situaties waar veiligheidsinspecties plaatsvinden. In monumentale panden kan de beun onder de Monumentenwet vallen. Wijzigingen of verzwaren van de constructie mag dan niet zomaar. De historische waarde van de balken weegt dan even zwaar als de technische eisen. Bij een functiewijziging van een zolder naar een woonruimte wordt de beun formeel een verdiepingsvloer. De regels voor brandveiligheid en vluchtwegen worden dan direct een stuk strenger. Geen overbodige luxe.
De beun kent een pragmatische oorsprong. Ooit was het simpelweg een 'bone', een houten vloer in een woning waar de ruimte beperkt was. In de agrarische bouwsector van de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd diende de beun als logisch antwoord op de behoefte aan droge opslagruimte boven de bedstede. Men benutte de natuurlijke opwaartse warmte van de woonruimte of de stal om goederen droog te houden. Geen complexe berekeningen. Slechts balken op de wanden en planken eroverheen. De constructie was inherent verbonden met de typologie van de hallenhuisboerderij.
Tijdens de industriële revolutie veranderde de rol. In stedelijke pakhuizen en werkplaatsen werd de beun een essentieel onderdeel voor de opslag van voorraden boven de werkvloer, vaak zonder dat de hoofddraagconstructie ingrijpend werd aangepast. Het was een flexibele laag. De introductie van staal en gestandaardiseerde houtmaten in de twintigste eeuw forceerde een scheiding tussen de vaste en de tijdelijke beun. De permanente houten variant in woningen verdween grotendeels door de opkomst van betonvloeren en moderne vlieringen. De tijdelijke variant op de bouwplaats werd juist prominenter.
Tegenwoordig regeert de normering. Waar een beun vroeger een provisorische plank over twee balken was, vereist de huidige regelgeving voor tijdelijke werkplatforms strikte borging tegen verschuiven en een vooraf berekende draagkracht. Het ambachtelijke karakter is verschoven naar een procesmatige aanpak. De essentie blijft gelijk: het winnen van verticale ruimte. Maar de technische uitvoering is geprofessionaliseerd van een eenvoudige timmeroplossing naar een gereguleerd onderdeel van de bouwlogistiek.