De inzet van een betondobber begint bij de exacte kalibratie op de giek van de betonpomp, waarbij het nulpunt ten opzichte van de onderzijde van de stortbuis wordt vastgelegd. Tijdens het stortproces fungeert het instrument als een constante indicator voor de vloeistofspiegel van de onderwaterbetonmortel. De machinist manoeuvreert de giek door de troebele bouwkuip terwijl de sensor of vlotter de stijgende lijn van de betonmassa volgt. Dit is precisiewerk. Door de realtime gegevensuitvoer weet de operator exact wanneer de giek omhoog moet bewegen zonder dat de stortbuis uit de verse specie vrijkomt. De dobber registreert elke hoogteverandering.
Bij het vullen van de kuip wordt de stortbuis methodisch verplaatst om een gelijkmatige dekking te garanderen. Men houdt hierbij de meetwaarden nauwgezet in de gaten om de 'plug' in de buis intact te houden; de dobber geeft immers direct aan of de vereiste indringing in de betonmassa nog gewaarborgd is. Fluctuaties in de bodemgesteldheid van de bouwkuip worden opgevangen door de giekhoogte continu aan te passen aan de hand van de dobbermeting. Er ontstaat een dynamische sturing. De informatievoorziening vanuit de betondobber vormt de primaire referentie voor het bepalen van de vloeigradiënt van de specie over de bodem, wat essentieel is voor het bereiken van de beoogde vloerdikte zonder visueel contact met het werkfront.
In de basis maken we onderscheid tussen de mechanische vlotter en de elektronische sensorunit. De klassieke mechanische dobber werkt met een fysiek drijflichaam. Dit lichaam heeft een lager soortelijk gewicht dan beton maar is zwaarder dan het aanwezige water of de boorspoeling. Simpele mechanica. Een stang of kabel brengt de beweging over naar een schaalverdeling op de giek. Robuust en ongevoelig voor elektronische storingen, maar soms beperkt in nauwkeurigheid bij extreme dieptes of stroming.
De digitale variant, vaak een ultrasone of akoestische sensor, biedt een modern alternatief. Geen bewegende delen in de specie. Deze sensoren meten de afstand tot het betonoppervlak door middel van geluidsgolven en vertalen dit direct naar een digitaal display in de cabine van de betonpomp. Hoogwaardige precisie. Soms worden deze systemen gecombineerd met drukmeters in de stortbuis zelf voor een nog completer beeld van de speciekolom.
In het veld spreekt men regelmatig over een 'peilsensor' of 'stortmonitor'. Verwar de betondobber echter niet met een handmatige peilstok; die laatste vereist handmatige handelingen vanaf een werkplatform en levert geen continue stroom aan gegevens op de giekpositie. Ook is er een wezenlijk verschil met de vlotter die wordt gebruikt bij vloeivloeren in de droge bouw. Waar die dient voor de afwerking van de toplaag, is de betondobber puur een instrument voor dieptemeting en procesbewaking tijdens de opbouwfase van onderwaterbeton.
Een bouwkuip van vijftien meter diep in een stedelijke omgeving. Ondoorzichtig, grijs water. De machinist van de betonpomp ziet enkel zijn scherm, geen hand voor ogen onder het wateroppervlak. De betondobber geeft aan: 110 centimeter. Tijd om de giek drie decimeter te liften. Een fractie te hoog en de afsluiting van de stortbuis gaat verloren. Directe ontmenging. Een kostbare fout die pas bij het leegpompen van de kuip pijnlijk zichtbaar wordt.
Stel de situatie voor bij de aanleg van een natte knooppuntverbinding. Gelijkmatige verdeling is hier cruciaal. Bij een vloer van 1500 vierkante meter wil je nergens een zwakke plek door een te dunne laag. De uitvoerder rekent niet langer met handmatige peilingen die slechts steekproeven zijn. De dobber op de mast levert de data. Realtime sturing. De specie vloeit uit en de dobber registreert nauwgezet de vloeigradiënt van de verse betonmassa over de bodem.
Tijdens het storten van een brugpijler midden in een rivierbedding krijgt de bemanning te maken met lichte stroming. De mechanische dobber houdt stand. Een stalen vlotter die net zwaar genoeg is om door het slib te zakken, maar blijft drijven op de zware betonspecie. De machinist ziet de kabel strak staan. Hij weet: de plug zit nog diep genoeg in de specie. Geen risico op waterinsluiting. Het instrument fungeert als de noodzakelijke 'blindenstok' in een vloeibare, ondergrondse wereld.
Regels zijn er niet voor niets. In de wereld van natte bouwkuipen is de CUR-Aanbeveling 77 leidend voor elk project waarbij onderwaterbeton wordt toegepast. Deze richtlijn eist een strikt gecontroleerd stortproces. Je moet te allen tijde weten wat er beneden gebeurt. De betondobber levert de noodzakelijke bewijslast voor de uitvoering. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt fundamentele eisen aan de constructieve veiligheid en de waterdichtheid van bouwwerken. In de praktijk betekent dit dat de dikte van de betonvloer exact moet overeenstemmen met de berekeningen in het constructieontwerp. Een te dunne vloer bezwijkt simpelweg onder de enorme opwaartse druk van het grondwater zodra de kuip wordt leeggepompt. Dat risico is onacceptabel. NEN-EN 13670 vult dit aan met specifieke uitvoeringseisen voor betonconstructies. Hierbij is de continue monitoring van de speciekolom essentieel om de insluiting van water of vervuild slib in de constructie te voorkomen. De dobber is dus meer dan een handig hulpmiddel; het is een instrument voor wettelijke compliance op de vierkante centimeter.
De inzet van meetapparatuur op de giek hangt nauw samen met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). De aannemer moet aantoonbaar maken dat de vloer conform specificaties is gestort. Geen nattevingerwerk meer. De data die voortvloeit uit digitale betondobbers kan direct worden opgenomen in het consumentendossier of het opleveringsdossier voor de kwaliteitsborger. Hoewel specifieke NEN-normen de betondobber niet bij naam noemen, dwingen de prestatie-eisen uit de Eurocodes voor betonconstructies het gebruik van dergelijke precisie-instrumenten feitelijk af. Zonder betrouwbare hoogtemeting tijdens de stortfase kan de integriteit van de 'plug' niet worden gegarandeerd, wat direct strijdig is met de algemeen erkende regels van goed vakmanschap en de geldende uitvoeringsnormen.
Vroeger was onderwaterbeton storten een kwestie van blind vertrouwen en grove schattingen. Handmatige peilstokken en loodlijnen domineerden het werkveld. Men nam steekproeven vanaf de rand van de bouwkuip. Onnauwkeurig. Tussentijdse metingen waren schaars terwijl de betonmassa onzichtbaar aanzwol op de bodem. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw veranderde de schaal van Nederlandse infrastructurele projecten. Bouwkuipen werden dieper. De risico's op constructief falen door ontmenging namen exponentieel toe. Een technologische sprong was noodzakelijk.
De eerste mechanische betondobbers verschenen als een pragmatische oplossing op de bouwplaats. Simpele vlottersystemen werden direct op de giek van de betonpomp gemonteerd. Mechanica verving het gokwerk. Deze ontwikkeling liep parallel aan de professionalisering van de betontechnologie en de introductie van de CUR-Aanbevelingen, die striktere procesbeheersing eisten. Rond de eeuwwisseling deed de digitalisering haar intrede. De klassieke stalen vlotter kreeg concurrentie van ultrasone sensoren en akoestische meetunits. Van tastbaar drijflichaam naar contactloze precisie. Deze evolutie zorgde voor een verschuiving van incidentele controle naar continue monitoring. Tegenwoordig is het instrument volledig geïntegreerd in de digitale workflow van de moderne machinist.