De transformatie naar een beschoten toestand begint zodra de primaire draagstructuur, zoals het spant- of gordingenskelet, volledig is uitgelijnd en verankerd. Men brengt de houten delen of plaatmaterialen haaks op de looprichting van de sporen of gordingen aan. Bij traditionele houtbouw worden vaak vuren delen met een messing-en-groefverbinding toegepast. Deze planken worden strak tegen elkaar gedreven en vernageld aan de onderliggende constructie, waarbij de kopse verbindingen idealiter verspringen om de structurele stijfheid te maximaliseren. Het resultaat is een ononderbroken vlak.
Bij moderne bouwmethodieken kiest men vaak voor grotere constructieve platen zoals OSB of multiplex. Dit versnelt het proces aanzienlijk. Plaatnaden worden hierbij nauwkeurig gepositioneerd op de dragende ribben om doorbuiging te voorkomen. Zodra de constructie beschoten is, verandert het karakter van het bouwwerk fundamenteel; de losse elementen vormen vanaf dat moment een schijf die horizontale krachten effectief overdraagt naar de hoofddraagconstructie. Het is de laatste handeling voordat de focus verschuift naar de waterdichte afwerking en isolatie aan de buitenzijde. Een solide basis. Geen kieren meer. De kap is dicht.
De keuze voor het materiaal bepaalt de uiteindelijke stijfheid en de esthetiek van de onderzijde. Houten delen, meestal vuren met een dikte van 18 tot 22 millimeter, vormen de klassieke variant. Deze planken zijn voorzien van messing-en-groef. Ze grijpen in elkaar. Een naadloze afsluiting is het gevolg. In de huidige woningbouw domineert echter het plaatmateriaal. OSB-platen (Oriented Strand Board) zijn hierbij favoriet vanwege hun gunstige prijs-kwaliteitverhouding en hoge treksterkte. Multiplex wordt ingezet wanneer de constructieve eisen extreem hoog zijn of wanneer het beschot direct als zichtwerk dient. Voor vochtige omgevingen is een watervast verlijmde plaat (WBP) essentieel om delaminatie te voorkomen.
Er bestaat een wezenlijk verschil tussen een ter plaatse beschoten kap en de toepassing van isolerende dakelementen. Bij de traditionele methode timmert de vakman plank voor plank of plaat voor plaat op de gordingen; pas daarna volgt de isolatie aan de buitenzijde. Bij prefab elementen, ook wel sandwichpanelen genoemd, is het dak in feite al in de fabriek 'beschoten'. De boven- en onderplaat van deze elementen fungeren als het beschot. Hoewel de term technisch hetzelfde proces beschrijft, verandert de volgorde van de bouwstroom drastisch. Geen losse planken meer. Geen tijdverlies. Een snelle dichte schil.
Niet elke dichte laag is een beschot. Een onbeschoten kap kan wel voorzien zijn van een folie of direct op de panlatten liggen, maar mist de structurele schijfwerking van een beschoten vlak. Het is een skelet zonder huid. Soms verwart men beschoten delen met betimmering. Hoewel beide uit hout bestaan, heeft betimmering vaak een louter decoratief doel, terwijl een beschoten constructie altijd een constructieve bijdrage levert aan de stabiliteit. Wandbeschot is minder gangbaar dan dakbeschot, maar volgt hetzelfde principe: het creëren van een gesloten vlak op een houten regelwerk voordat de uiteindelijke gevelafwerking wordt geplaatst.
Stel je een renovatieproject voor bij een oude schuur. Het dak is volledig gestript. Alleen de eiken sporen staan nog overeind als een kaal karkas. De timmerman begint onderaan met het aanbrengen van vuren delen. De messing-en-groefverbindingen sluiten naadloos op elkaar aan. Terwijl hij naar de nok toe werkt, verandert het open skelet in een massieve houten schil waar de wind geen vat meer op krijgt. Geen doorkijk meer naar de wolken. De kap is beschoten.
In de moderne woningbouw verloopt dit proces vaak met grotere stappen. Een gordingenkap staat klaar. Geen stapels losse planken deze keer. Grote platen OSB van achttien millimeter dik worden met een kraan omhoog gehesen en haaks op de balken gepositioneerd. De platen verspringen ten opzichte van elkaar voor een optimale verbandwerking. Een nagelpistool ratelt over de zolder. Binnen enkele uren is de bovenste verdieping getransformeerd van een winderige open constructie naar een beschoten vlak. De schijfwerking is direct merkbaar; de constructie beweegt niet meer.Bij een houtskeletbouw aanbouw gebeurt hetzelfde tegen de gevel. Voordat de definitieve afwerking van zink of verduurzaamd hout wordt geplaatst, brengt de aannemer eerst constructief plaatmateriaal aan op de staanders. De wand is nu beschoten. Het zwiepen van de constructie stopt. De basis voor de isolatie is gelegd.
Een onbeschoten kap is een skelet zonder huid; zodra het beschot ligt, heeft het dak zijn definitieve vorm en stijfheid gekregen.
Statische berekeningen liegen niet. Een dak dat niet naar behoren is beschoten, gedraagt zich onder de brute druk van een noordwesterstorm als een verzameling losse spijlen; de stabiliteit van het gehele pand komt dan direct in het geding. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) dwingt die stijfheid af via de fundamentele eisen voor mechanische sterkte. Geen discussie mogelijk. Voor de constructeur vormt NEN-EN 1995, ook wel de Eurocode 5 voor houtconstructies genoemd, hierbij het technisch fundament om de noodzakelijke schijfwerking te staven. Het gaat hierbij niet alleen om het materiaal, maar vooral om de verbinding tussen het plaatwerk en de onderliggende balklaag.
Brandveiligheid is een ander kritiek punt waar de wetgever meekijkt over de schouder van de bouwer. De brandklasse van het gebruikte beschot, getoetst volgens de Europese classificatienorm NEN-EN 13501-1, bepaalt of een constructie voldoet aan de eisen voor veilig gebruik. Meestal eindigt onbehandeld vurenhout in klasse D. Maar let op bij de perceelsgrens. Daar gelden striktere regels voor de Weerstand tegen Branddoorslag en Brandoverslag (WBDBO). In dergelijke situaties dwingt de regelgeving de vakman vaak tot het gebruik van brandvertragend behandelde delen of specifieke onbrandbare plaatmaterialen. Het is de dwingende optelsom van constructieve veiligheid en preventieve maatregelen die het ontwerp bepaalt.
Eeuwenlang was een volledig gesloten dakvlak geen vanzelfsprekendheid. Open kappen domineerden de horizon. Riet en stro rustten simpelweg op een open latwerk van onbewerkt rondhout of ruwe sporen. De wind waaide dwars door de vliering heen. Pas met de opkomst van mechanische houtzagerijen in de 17e eeuw werd het voor de groeiende stedelijke bebouwing mogelijk om daken systematisch 'dicht' te timmeren met vuren of grenen delen. Dit was pure noodzaak voor de brandveiligheid en het verbeteren van de thermische eigenschappen van woningen. Winddichtheid als nieuwe standaard. Een solide barrière tegen de elementen.
In de 20e eeuw versnelde de technische evolutie drastisch. De traditionele messsing-en-groefplank verloor langzaam terrein. Multiplex kwam op. Spaanplaat volgde. De introductie van deze industriële plaatmaterialen na 1945 transformeerde de bouwplaats tot een montageplek. Geen tijdrovend hameren van smalle delen meer. Meters maken met grote vlakken. De constructieve schijfwerking werd hiermee eenvoudiger te berekenen en sneller te realiseren. Vandaag de dag is het beschot vaak onzichtbaar versmolten met isolatiemateriaal in prefab sandwichpanelen. Een logisch gevolg van de drang naar extreme luchtdichtheid en montage-efficiëntie. Van losse plank naar high-tech paneel. De functie bleef gelijk; de uitvoering werd een industrieel proces.