De montage start bij de dragende onderconstructie, meestal bestaande uit sporen, kepers of een verticaal regelwerk. Men controleert eerst of de balken in één vlak liggen. Onvlakheid wordt direct gecorrigeerd. Bij een dakvlak vangt de verwerking doorgaans aan bij de dakvoet, waarna men rij voor rij naar de nok toewerkt. Het materiaal wordt haaks op de draagbalken aangebracht. De keuze valt vaak op houten delen met een mes-en-groefverbinding of op plaatmateriaal zoals multiplex of OSB. Planken worden strak tegen elkaar gedreven. Platen vereisen juist een minieme tussenruimte.
Bevestiging gebeurt met nagels of schroeven op elk snijpunt met de onderliggende balklaag. Men hanteert een verspringend patroon voor de kopse naden. Dit creëert een zogenaamde schijfwerking. De constructie wordt hierdoor stijver en beter bestand tegen windbelasting. Bij het gebruik van plaatmateriaal stemt men de afmetingen af op de hart-op-hart afstand van de balken zodat de randen altijd op een solide ondergrond rusten. Zaagwerk is onvermijdelijk bij aansluitingen rondom dakkapellen, schoorstenen of hoekkepers. Het resultaat is een vlakke, dichte ondergrond die direct gereed is voor verdere bewerking zoals het aanbrengen van tengels, panlatten of isolatiemateriaal.
De keuze tussen massieve houten delen en plaatmateriaal bepaalt de snelheid en het uiterlijk van het werk. Traditioneel beschot bestaat uit vuren houten delen van doorgaans 18 of 22 millimeter dik. Deze planken zijn voorzien van een mes-en-groefverbinding. Ze grijpen in elkaar. Zo ontstaat een winddichte barrière. Gebruik je vellingdelen? Dan krijgt de onderzijde een decoratief accent door de afgeschuinde kanten die een subtiele V-groef vormen. Dit zie je vaak bij overkappingen waar het beschot in het zicht blijft. Het oog wil ook wat.
Plaatmateriaal rukt op. OSB-3 is de pragmatische keuze. Goedkoop. Sterk. Vochtbestendig genoeg voor de bouwfase. Underlayment, vaak van Fins vuren, biedt een vlakker resultaat en meer stijfheid. Voor high-end toepassingen of dakkapellen is watervast multiplex de norm. De grote afmetingen van platen reduceren het aantal naden aanzienlijk vergeleken met losse planken.
Klassiek dakbeschot noemen we ook wel koud beschot. Het hout fungeert als directe drager. Geïsoleerd dakbeschot, de bekende sandwichpanelen, is de moderne evolutie. Hierbij is het beschot geïntegreerd met een isolatiekern van PIR of EPS. De binnenzijde is dan vaak afgewerkt met een witte plaat of spaanplaat. Dit bespaart tijd. Constructie en isolatie in één handeling.
Pas op voor spraakverwarring. Beschieten is niet hetzelfde als rachelen of tengelen. Rachels en tengels vormen een open raamwerk. Beschieten creëert een gesloten vlak. In de volksmond wordt de term 'dakbeschot' soms onterecht gebruikt voor de panlatten, maar een vakman weet: zonder dicht vlak geen beschot.
Stel je een robuuste eiken overkapping voor in een achtertuin. De spanten staan fier overeind, maar de blauwe lucht is nog zichtbaar tussen de balken. Hier kies je voor vellingdelen als beschot. De timmerman monteert de planken met de geschaafde zijde naar beneden. Waarom? Omdat dit het plafond wordt. De vellingkantjes maskeren de natuurlijke werking van het hout, terwijl het dakvlak bovenop direct klaar is voor de EPDM-bedekking.
In de houtskeletbouw is het beschieten van binnenwanden vaste prik. Voordat de stukadoor of gipsplatenmonteur komt, brengt de timmerman OSB-platen aan tegen het regelwerk. Dit is geen overbodige luxe. Wil je later die zware bovenkastjes in de keuken ophangen? Dan biedt het beschot de nodige 'vlees' voor de schroeven. Geen gedoe met speciale pluggen. De wand is overal even sterk.
De zolder van een oude stadswoning tocht aan alle kanten. Je kijkt van binnenuit direct tegen de onderkant van de dakpannen. Het ontbrekende beschot is hier de boosdoener. Tijdens de renovatie worden de pannen verwijderd. De vakman beschiet de sporenkap met grote platen underlayment. In een enkele werkdag transformeert de open constructie in een dichte, stijve schil. De platen verspringen ten opzichte van elkaar. De hele kap wordt een onwrikbare schijf. De wind krijgt geen vat meer op de constructie, en de basis voor de isolatieplaten is gelegd.
Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) regeert. Geen discussie mogelijk. De constructieve veiligheid vormt de absolute kern van de wetgeving rondom het beschieten van daken en wanden. Eurocodes, specifiek NEN-EN 1991, schrijven voor hoe een constructie windbelasting moet opvangen en verdelen. Beschot fungeert hierbij als een noodzakelijke verstijvende schijf. Zonder deze schijfwerking voldoet een kap- of wandconstructie simpelweg niet aan de vereiste mechanische sterkte. De wet vraagt om harde berekeningen. Geen nattevingerwerk.
Brandgedrag is een ander kritisch dossier. Houten delen en plaatmaterialen moeten voldoen aan specifieke brandklassen conform NEN-EN 13501-1. Het BBL bepaalt per gebruiksfunctie welke klasse minimaal vereist is. Vaak is klasse D de ondergrens voor de binnenzijde van een dakvlak. In vluchtwegen of bij specifieke compartimentering kan klasse B geëist worden. Rookontwikkeling telt eveneens mee in de beoordeling. Wie brandvertragend behandeld hout toepast, moet de certificaten kunnen overleggen bij handhaving.
De thermische schil moet dicht. Punt. NEN 2778 stelt strikte eisen aan de luchtdichtheid en waterdichtheid van de gebouwschil. Beschieten vormt de fysieke basis voor deze prestatie. Kieren in het beschot leiden tot ongecontroleerde infiltratie. Dit ruïneert de berekende Rc-waarden die het BBL voorschrijft voor nieuwbouw en renovatie. De wet dwingt tot een naadloze aansluiting. Controle op luchtdichtheid via een blowerdoortest is in de moderne woningbouw eerder regel dan uitzondering.
Materiaalkeuze is niet langer vrijblijvend. Voor veel projecten is hout met een duurzaamheidskenmerk zoals FSC of PEFC een harde contractvoorwaarde. De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) weegt de milieu-impact van elk toegepast plaatst materiaal mee in de totale score van het bouwwerk. Ook de gezondheid in het binnenklimaat is wettelijk beschermd. Formaldehyde-emissie van lijmstoffen in multiplex of OSB moet binnen de Europese E1-norm blijven. Gezondheid is een recht, geen optie voor de bouwer.
Vroeger was de vliering een tochtgat. Letterlijk. Men keek vanuit de nok vaak direct tegen de onderzijde van de dakpannen aan. Het concept van een volledig beschoten dak was een luxe die lang voorbehouden bleef aan monumentale panden, kerken en de rijke burgerij. In de middeleeuwse woningbouw domineerde de open kapconstructie. Wind en stuifsneeuw hadden vrij spel. Het beschieten begon als een puur praktische ingreep om kostbare goederen op zolders te beschermen tegen weersinvloeden. Men gebruikte hiervoor ruwe, handgekapte planken. Deze werden met gesmede spijkers koud tegen elkaar aan getimmerd op de sporen.
De zeventiende eeuw bracht verandering. Door de opkomst van door wind aangedreven houtzaagmolens, vooral in de Zaanstreek, werd de productie van uniforme houten delen goedkoper. Planken kregen vaker een sponning of een eenvoudige mes-en-groefverbinding. Dit was de geboorte van het winddichte dakvlak zoals we dat nu kennen. Het ambacht verschoof van het louter dichten van gaten naar het creëren van een structurele eenheid.
De negentiende eeuw markeerde de definitieve doorbraak van het gestandaardiseerde beschot. De stoommachine verving de windmolen. Hout werd een massaproduct. In deze periode ontstonden de eerste echte bouwvoorschriften die aandacht besteedden aan brandveiligheid en constructieve stijfheid. Beschieten werd de norm voor de woningbouw in de uitbreidingswijken van de industriële steden. Het diende niet langer alleen als barrière tegen stof, maar begon een rol te spelen in de stabiliteit van de kap.
Na de Tweede Wereldoorlog veranderde de markt radicaal. Hout was schaars. Innovatie was noodzakelijk. De introductie van multiplex en later spaanplaat in de jaren vijftig en zestig zorgde voor een revolutie op de bouwplaats. Waar een timmerman vroeger plank voor plank moest aanbrengen, kon hij nu met grote platen meters maken. Efficiëntie werd het nieuwe sleutelwoord. De karakteristieke geur van vers gezaagd vurenhout maakte in veel projecten plaats voor de lijmlucht van samengeperst plaatmateriaal.
De oliecrisis van de jaren zeventig was een kantelpunt. De focus verschoof van 'dichtzetten' naar 'isoleren'. Een dak mocht niet langer alleen waterdicht zijn; het moest warmte binnenhouden. Dit leidde tot de ontwikkeling van het geïsoleerde dakbeschot. De losse laag hout evolueerde naar de bekende sandwichpanelen. Hierbij fungeert de binnenste laag van de plaat direct als zichtbeschot. Een technische fusie van structuur en afwerking. Het beschieten is daarmee getransformeerd van een eenvoudige timmerklus tot een integraal onderdeel van de thermische schil. De moderne vakman hanteert nu vaker de kitspuit en luchtdichte tape dan de klassieke hamer, maar de essentie blijft gelijk: de transformatie van een open geraamte naar een gesloten constructie.