De montage vindt doorgaans plaats op een verticaal eindstuk of een specifiek hiervoor aangelegde aftakking van de afvoerleiding. Vlakbij het lozingstoestel. De fysieke verbinding met het leidingnetwerk gebeurt via een lijmmof of een schroefkoppeling, waarbij een volledige luchtdichte afsluiting van de aansluiting zelf essentieel is voor de werking van het systeem. In rusttoestand blokkeert een verzwaard membraan of een veerbelaste klep de opening naar de omgevingslucht.
Zodra er stroomafwaarts een aanzienlijke hoeveelheid water wordt afgevoerd, daalt de druk binnen de buis razendsnel onder het atmosferische niveau van de ruimte. De buitenlucht duwt op dat moment tegen de onderzijde van de klep. Het mechanisme opent. Er wordt direct lucht aangezogen vanuit de directe omgeving. Dit heft de onderdruk op die anders de vloeistof uit de nabijgelegen stankafsluiters zou trekken. Wanneer de drukbalans is hersteld, valt het mechanisme door zwaartekracht of veerkracht terug in de zitting.
Het proces verloopt volledig autonoom. Geen mechanische bediening. Geen elektronica. De positionering moet altijd boven het hoogst mogelijke waterniveau van de aangesloten lozingstoestellen liggen om vervuiling van het membraan door terugstromend afvalwater te voorkomen. Plaatsing gebeurt vaak in een koof, achter een knieschot of in een keukenkastje. De ruimte moet wel over voldoende ventilatie beschikken; zonder toevoer van verse lucht kan het systeem de drukverschillen niet effectief compenseren.
In de installatietechniek maken we een strikt onderscheid op basis van de volumestroom aan lucht. Lokale beluchters (vaak DN40 of DN50) zijn compact. Je vindt ze direct onder een wastafel of bij een keukensifon. Ze vangen enkel de onderdruk op die ontstaat door het lozen van dat specifieke toestel.
Daartegenover staan de standleidingbeluchters. Deze robuuste varianten hebben een grotere diameter, meestal DN70 tot DN110. Ze worden geplaatst op het hoogste punt van een verzamel- of standleiding. Hun taak is zwaarder; ze moeten voldoende lucht aanvoeren om te voorkomen dat de waterkolom van een toiletspoeling elders in het gebouw sifons leegtrekt.
De termen vliegen je om de oren. In de volksmond spreekt men vaak simpelweg over een snuiver of een rioolbeluchter. Technisch gezien zijn dit synoniemen. Toch schuilt er een gevaar in de terminologie bij verwarring met de open ontspanningsleiding.
Een beluchtingsklep is een eenrichtingsweg. Hij laat lucht toe, maar laat niets ontsnappen. Een open ontspanningsleiding daarentegen gaat door het dak naar buiten en voert ook gassen af (ontluchten). Een gebouw kan nooit uitsluitend op beluchtingskleppen draaien. Er is altijd minimaal één open verbinding naar de buitenlucht nodig om overdruk in het riool — bijvoorbeeld door hevige regenval of gisting — veilig af te voeren. Vervang je een dakdoorvoer blindelings door een klep? Dan zoek de stank elders een weg naar buiten, vaak via de wc-pot of putjes.
Niet elke klep is identiek opgebouwd. De techniek bepaalt de duurzaamheid.
| Type mechanisme | Kenmerken |
|---|---|
| Membraanklep | Werkt met een soepel rubberen of siliconen vlies. Zeer gevoelig, opent al bij minimale onderdruk. |
| Veerbelaste klep | Gebruikt een lichte veer om de klep dicht te houden. Minder storingsgevoelig bij lichte vervuiling, maar vereist iets meer onderdruk om te openen. |
| Verzwaarde klep | Vertrouwt volledig op zwaartekracht. Simpel. Onverwoestbaar, mits perfect verticaal gemonteerd. |
Let op de EN 12380 normering. Deze Europese standaard deelt kleppen in klassen in, waarbij klasse A1 aangeeft dat de klep onder het vloerniveau mag worden geplaatst en bestand is tegen extreme temperaturen. Goedkopere varianten zijn vaak alleen geschikt voor plaatsing ruim boven de lozingspunten.
In de dagelijkse installatiepraktijk kom je de beluchtingsklep op specifieke momenten tegen. Denk aan de volgende situaties:
Je hebt net de vaatwasser aangezet. Zodra de machine begint met afpompen, hoor je een hardnekkig, borrelend geluid bij de gootsteen ernaast. De enorme waterverplaatsing trekt een vacuüm in de leiding. In plaats van een kostbare verbouwing van de afvoer, biedt een compacte beluchter direct op de sifonuitloop uitkomst. De klep snuift lucht aan, de onderdruk verdwijnt, het gurgelen stopt.
Bij het realiseren van een extra badkamer op een bovenverdieping is een doorvoer door een geïsoleerd dak soms ongewenst of technisch lastig uitvoerbaar. De standleiding eindigt dan in de koof achter het toilet. Hier wordt een groter model beluchtingsklep geplaatst. Wanneer het toilet wordt doorgetrokken, voorkomt deze klep dat het water uit de sifon van de nabijgelegen inloopdouche wordt gezogen.
Een wasmachine staat opgesteld naast een kleine uitstortgootsteen. Tijdens het centrifugeren en afpompen ontstaat er zoveel snelheid in de afvoer dat de gootsteen hoorbaar 'narippelt'. Even later ruik je een rioollucht. De beluchtingsklep op het T-stuk van de wasmachineafvoer heft dit direct op. Het waterslot van de gootsteen blijft keurig op peil.
Stel, de klep zit weggewerkt achter een strak afgetimmerd knieschot. Als de ruimte volledig luchtdicht is, kan de klep zijn werk niet doen; er is immers geen luchtvolume om aan te zuigen. Een klein, esthetisch ventilatierooster in de aftimmering is dan de enige manier om de werking te garanderen.
De regels zijn helder. In Nederland vormt de NEN 3215 de technische ruggengraat voor het ontwerp en de uitvoering van binnenrioleringen. Deze norm stelt dat een afvoersysteem drukverschillen moet kunnen opvangen zonder dat watersloten worden leeggezogen of uitgeblazen. De bijbehorende praktijkrichtlijn, de NTR 3216, geeft concrete invulling aan het gebruik van beluchtingskleppen.
Een cruciaal aspect in deze regelgeving is de ontspanningsleiding. Volgens de norm is het strikt verboden om een rioleringssysteem uitsluitend te voorzien van beluchtingskleppen. Er moet te allen tijde minimaal één open verbinding naar de buitenlucht aanwezig zijn, meestal via een dakdoorvoer. Deze hoofdontspanning voorkomt dat overdruk in het gemeentelijke riool, bijvoorbeeld bij hevige regenval, de stankafsluiters binnenshuis forceert. Een beluchtingsklep werkt immers maar één kant op en kan deze overdruk niet afvoeren.
Niet elke klep mag zomaar overal geplaatst worden. De Europese norm EN 12380 classificeert deze componenten op basis van hun temperatuurbereik en hun geschiktheid voor plaatsing onder het lozingsniveau van toestellen. Een klep met de aanduiding 'Klasse A1' is de meest veelzijdige variant. Deze is getest voor temperaturen tussen -20 °C en +60 °C en mag onder het overloopniveau van een wastafel of gootsteen worden gemonteerd.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) verwijst indirect naar deze normen door eisen te stellen aan de goede afvoer van afvalwater en de beperking van geuroverlast. Installateurs moeten er rekening mee houden dat de capaciteit van de klep — de hoeveelheid liters lucht per seconde die wordt doorgelaten — moet passen bij de berekende vuilwaterafvoer van de betreffende leidingsectie. Onvoldoende capaciteit leidt tot het falen van het waterslot, wat strijdig is met de algemene functionele eisen voor sanitaire installaties in gebouwen.
Vroeger was de dakdoorvoer de enige wet. De sanitaire techniek van de vroege twintigste eeuw kende geen compromissen; luchtcirculatie was uitsluitend een kwestie van zwaartekracht en open pijpen die tot boven de nok reikten. Het systeem was star. Met de opkomst van grootschalige woningbouw en complexe hoogbouw in de jaren zestig en zeventig ontstond echter een dringende behoefte aan meer architectonische vrijheid en minder kwetsbare dakdoorbrekingen. Elke extra opening in de schil betekende immers een potentieel lek.
De eerste generatie beluchtingskleppen was rudimentair. Simpele, verzwaarde rubberen schijven die door de aanzuigkracht van vallend water werden opgetild. Het werkte. Maar het was verre van perfect; de vroege modellen waren gevoelig voor vervuiling en lieten na verloop van tijd vaak alsnog geuren door. De grote technologische sprong kwam met de massale overgang van loden en gietijzeren leidingen naar kunststoffen zoals PVC en ABS. Dit maakte de productie van nauwkeurige, compacte behuizingen mogelijk.
In de jaren tachtig en negentig verfijnde de techniek zich verder. Fabrikanten stapten over op hoogwaardige siliconen membranen die zelfs bij een minimaal drukverschil al reageren. In Nederland volgde de regelgeving deze technische vooruitgang op de voet. Waar de 'snuiver' voorheen als een dubieuze noodoplossing werd gezien, kreeg hij door de introductie van de NEN 3215 en later de Europese EN 12380-norm een officiële status binnen de installatietechniek. De focus verschoof van puur mechanische werking naar geteste betrouwbaarheid onder extreme temperaturen. Vandaag de dag is de klep onmisbaar in de moderne bouw, al blijft het fundamentele principe — het opheffen van onderdruk zonder gasemissie — al decennia ongewijzigd.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Anw.ivdnt | Wildkamp | Kennis.hunzeenaas | Commissiemer | Kvt-online | Ttm | Smc | Hilkensberg | Hubert | Fr.wiktionary | Siedle | Quavac | Gwl-terrein