De montage van bekledingsmateriaal start bij de drager. De ondergrond moet zuiver zijn. Bij gevelsystemen wordt vrijwel altijd een achterconstructie van verduurzaamd hout of aluminium profielen geplaatst om de maatafwijkingen van het casco op te vangen en een luchtspouw te garanderen. Ventilatie is cruciaal. Zonder deze luchtstroom tast vocht de constructie aan. Het eigenlijke bekledingsmateriaal wordt hierop mechanisch of chemisch bevestigd. Schroeven, klinknagels en clips zijn gangbaar, maar bij een strakke esthetiek wordt vaak gekozen voor structurele lijmverbindingen die onder gecontroleerde condities moeten uitharden. Voor binnenmuren volgt men een vergelijkbaar principe met een metalen raamwerk waar de platen tegenaan geschroefd worden. Naden krijgen vervolgens een specifieke behandeling; ze blijven open voor natuurlijke werking of worden gedicht met kit of voegenvuller voor een naadloos resultaat. De aansluiting op kozijnen en dakranden vereist vaak maatwerk zetwerk om de overgang waterdicht en visueel acceptabel te maken.
Hout blijft favoriet. Natuurlijk of gemodificeerd. Thermowood biedt stabiliteit waar onbehandeld vuren faalt door rot en kromtrekking onder invloed van wisselende luchtvochtigheid. Dan is er metaal. Zink, koper of aluminium. Vaak toegepast als zetwerk of in de vorm van complexe felsbanen die een gebouw een industriële, haast onverwoestbare uitstraling geven. Kunststoffen zoals HPL (High Pressure Laminate) zijn technisch superieur voor wie weinig onderhoud wenst. Ze zijn kleurvast. Keihard ook. Steenstrips bootsen zwaar metselwerk na zonder de belasting op de fundering te vergroten, waardoor ze ideaal zijn voor renovatieprojecten waarbij isolatie aan de buitenzijde wordt toegevoegd en de dikte van de schil beperkt moet blijven.
Binnen regeert de gipsplaat. Functioneel en goedkoop. Maar voor wie meer wil, zijn er akoestische bekledingen van geperst wol of houten lamellen op een viltlaag die galm effectief absorberen. Dit dempt geluid. Het verbetert het leefklimaat aanzienlijk in ruimtes met veel harde oppervlakken zoals betonvloeren en glaswanden. Vezelcementplaten vormen een categorie apart; ze zijn onbrandbaar en extreem vormvast, wat ze geschikt maakt voor zowel vochtige binnenruimtes als weerbarstige buitengevels. Soms verwart men bekleding met de constructie zelf. Fout. Bekleding is de huid, niet het skelet. Waar de constructie de krachten afdraagt naar de fundering, daar dient het bekledingsmateriaal enkel als beschermend schild of visueel eindstation.
Verticale houten lamellen van thermisch gemodificeerd vuren op een zwarte achtergrond. Een klassiek beeld bij moderne schuurwoningen. De lamellen vormen de esthetische schil, terwijl een UV-bestendige gevelfolie erachter de achterliggende constructie waterdicht houdt. Dit is een open gevelsysteem. Regen slaat door de kieren, maar de constante ventilatie droogt het hout razendsnel.
In een kantoortuin hangen wandpanelen van gerecycled vilt. Functionele bekleding. Harde materialen zoals beton en glas weerkaatsen geluid, maar dit zachte bekledingsmateriaal breekt de geluidsgolven direct. Het resultaat is een rustige werkplek. Geen hinderlijke galm meer.
Renovatie van een rijtjeshuis uit de jaren '60. De oude borstweringen onder de kozijnen maken plaats voor sandwichpanelen met een kern van PIR-isolatie en een buitenzijde van gecoat aluminium. Licht van gewicht. Hoge isolatiewaarde. Direct klaar voor gebruik zonder dat er een schilder aan te pas komt. Bij utiliteitsbouw zie je vaak grote zinken felsbanen. Deze metalen bekleding wordt met klangen op een houten beschot gemonteerd. Het materiaal patineert prachtig door de jaren heen.
In natte cellen, denk aan een doucheruimte in een sportschool, worden vaak volkernplaten (HPL) toegepast. Ongevoelig voor vocht. Stootvast. De platen worden met rvs-schroeven op een verduurzaamd houten regelwerk bevestigd. Hygiënisch en nagenoeg onverwoestbaar bij intensief dagelijks gebruik.
Regels bepalen de ruimte. Letterlijk. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt het wettelijk fundament voor de toepassing van bekledingsmaterialen in Nederland. Brandveiligheid staat hierbij centraal. De NEN-EN 13501-1 is de norm die materialen classificeert op basis van hun brandgedrag. Voor de buitenschil van gebouwen is klasse B vaak de minimumeis, vooral bij hoogbouw waar brandoverslag via de gevel een kritiek risico vormt. Rookontwikkeling (s-waarde) en brandende druppels (d-waarde) zijn hierbij geen bijzaak maar harde randvoorwaarden. NEN 6068 wordt gehanteerd om de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen brandcompartimenten te bepalen, waarbij het bekledingsmateriaal een substantiële rol speelt in het vertragen van vuurverspreiding langs de gevel.
Wind rukt aan de gevel. Vooral op grote hoogte. Volgens NEN-EN 1991-1-4 (Eurocode 1) moet de bevestiging van bekledingsmateriaal bestand zijn tegen de rekenkundige winddruk en zuiging op de specifieke locatie. De berekening houdt rekening met de windzone en de terreincategorie. Hoekzones vangen de meeste klappen op. Hier is de zuiging het grootst. Bevestigingsmiddelen zoals ankers, schroeven of lijmsystemen moeten aantoonbaar voldoen aan deze krachten om te voorkomen dat panelen loslaten. Voor vliesgevels en complexe beplating zijn vaak aanvullende ETA-certificeringen (European Technical Assessment) nodig om de technische prestaties te borgen.
Energiehuishouding is geen vrijblijvende keuze meer. De NTA 8800 beschrijft de rekenmethode voor de energieprestatie van gebouwen, waarbij bekledingsmaterialen invloed hebben op de thermische schil en de preventie van koudebruggen. Daarnaast weegt de milieubelasting zwaar. De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht ontwikkelaars om de milieu-impact van alle gebruikte materialen, inclusief de afwerking, in kaart te brengen via een Levenscyclusanalyse (LCA). Materialen met een lage schaduwprijs genieten hierbij de voorkeur om aan de steeds strenger wordende wettelijke grenswaarden te voldoen.
Eeuwenlang was de muur een monolithisch blok. Constructie en bescherming waren één. In de vroege bouwkunst dienden natuurlijke materialen zoals leemstuc of rietmatten als rudimentaire bekleding om de winddichtheid van vlechtwerkwanden te verhogen. Pas met de opkomst van de houtskeletbouw in de middeleeuwen ontstond de behoefte aan een afzonderlijke huid. De overstekende verdiepingen van vakwerkhuizen beschermden de onderliggende gevels, maar de introductie van houten rabatdelen markeerde de eerste stap naar wat wij nu als gevelbekleding definiëren. Functionele scheiding.
De industriële revolutie forceerde een technische doorbraak. De productie van gewalste metalen zoals zink en lood maakte het mogelijk om kwetsbare bouwdelen duurzaam in te pakken. Metalen gevelbeplating werd niet langer alleen voor monumentale daken gebruikt, maar vond zijn weg naar de industrie. Golfplaten van verzinkt staal boden een snelle, goedkope oplossing voor grootschalige hallen. Tegelijkertijd zorgde de uitvinding van portlandcement voor een nieuwe generatie pleisterwerk en vroege vormen van betonbekleding, die de weg vrijmaakten voor de esthetische vrijheid van het modernisme.
De echte paradigmashift vond plaats in de vroege 20e eeuw. De scheiding tussen draagstructuur en gevelschil werd een architectonisch dogma. Het skelet droeg de lasten; de bekleding hield het weer buiten. Dit leidde tot de ontwikkeling van de vliesgevel (curtain wall). In de wederopbouwperiode na 1945 versnelde dit proces door de massale inzet van asbestcementplaten, destijds geprezen om hun brandwerendheid en weersbestendigheid. Pas na het verbod op asbest verschoof de focus naar vezelcement, composieten en hoogwaardige kunststoffen zoals HPL. Vandaag de dag is de evolutie verschoven van louter bescherming naar circulariteit en demontage, waarbij bekleding wordt gezien als een loskoppelbare laag in een modulaire bouwketen.