Bastaardmortel

Laatst bijgewerkt: 15-01-2026


Definitie

Een metselmortel waarbij het bindmiddel bestaat uit een mengsel van cement en kalk, aangevuld met zand en water.

Omschrijving

Bastaardmortel fungeert als de technische brug tussen de starheid van pure cementmortel en de extreme souplesse van kalkmortel. Het is de hybride oplossing voor metselwerk waar balans vereist is. De kalk in het mengsel werkt als een natuurlijke plastificeerder; het maakt de specie smeuïg en verbeterd de hechting aan de steen aanzienlijk. Hierdoor 'plakt' de mortel beter tijdens het verwerken, wat het rendement op de steiger verhoogt. Cruciaal is de lagere elasticiteitsmodulus vergeleken met zuivere cementmortel. In een gebouwde omgeving die onderhevig is aan temperatuurwisselingen en lichte zettingen, biedt deze mortel de nodige flexibiliteit om scheurvorming in het gevelvlak te minimaliseren. Het is een materiaal met historie, al sinds de 19e eeuw een vaste waarde in bestekken, maar tegenwoordig herontdekt vanwege de bijdrage aan circulariteit.

Uitvoering en verwerking

De vervaardiging vangt aan met het nauwkeurig doseren van de droge componenten, waarbij de specifieke verhouding tussen cement, kalk en zand de uiteindelijke mechanische eigenschappen bepaalt. Water activeert de chemische reactie. Het mengsel draait in de molen tot een homogene, plastische substantie. Tijdens het metselen spreidt de vakman de mortel uit over de lint- en stootvoegen. De kalk houdt water vast. Hierdoor droogt de specie niet voortijdig uit wanneer deze in contact komt met sterk zuigende bakstenen, wat de hechting ten goede komt. De mortel laat zich soepel verwerken en kleeft optimaal aan de ondergrond. In de uithardingsfase vindt een gecombineerd proces plaats waarbij de hydratatie van het cement de directe constructieve stabiliteit waarborgt, terwijl de kalk door een proces van carbonatatie – de opname van kooldioxide uit de atmosfeer – over een langere tijdsspanne zorgt voor de microflexibiliteit in het metselwerk. Deze synergie tussen de bindmiddelen voorkomt dat de voeg onder thermische spanning of lichte zetting knapt. Na het aanbrengen wordt de overtollige specie met een troffel afgesneden. De afwerking van de voeg geschiedt zodra de massa voldoende is opgestijfd, een moment dat sterk afhankelijk is van de omgevingsfactoren en de porositeit van de gebruikte stenen.


Variaties in mengverhoudingen en sterkte

Classificatie op basis van receptuur

De eigenschappen van bastaardmortel zijn vloeibaar. Alles valt of staat met de gekozen verhouding tussen de drie hoofdbestanddelen: cement, kalk en zand. In de praktijk worden specifieke mengsels gehanteerd die elk een eigen balans vinden tussen druksterkte en elasticiteit. Een veelgebruikte standaard voor dragend metselwerk is de 1:1:6 verhouding (één deel cement, één deel kalk, zes delen zand). Dit mengsel biedt voldoende constructieve stijfheid terwijl de kalk de verwerkbaarheid garandeert. Voor situaties waarin meer flexibiliteit vereist is, zoals bij de restauratie van historische gevels of bij werken met zachte baksteensoorten, verschuift het accent vaak naar een 1:2:9 verhouding. Hier overheerst de kalk, wat resulteert in een mortel die beter in staat is om zettingen van het gebouw op te vangen zonder dat de stenen zelf bezwijken onder de spanning.

Type mengselVerhouding (C:K:Z)Karakteristiek
Sterke bastaardmortel1 : 1 : 5 à 6Hoge druksterkte, geschikt voor constructief werk.
Normale bastaardmortel1 : 2 : 8 à 9Optimale balans tussen flexibiliteit en hechting.
Vette bastaardmortel1 : 3 : 10 à 12Zeer plastisch, lage sterkte, specifiek voor niet-dragende elementen.

Nomenclatuur en onderscheid

Kalkcementmortel versus Bastaardmortel

De termen worden in de volksmond vaak door elkaar gebruikt. Technisch gezien is kalkcementmortel de moderne, vaak fabrieksmatig vervaardigde variant van de traditionele bastaardmortel. Waar men vroeger op de bouwplaats zelf luchtkalk en cement door het zand schepte, leveren mortelcentrales tegenwoordig kant-en-klare mengsels onder de noemer kalkcementmortel, vaak geclassificeerd volgens de Europese norm EN 998-2.

Het onderscheid met zuivere mortelsoorten is essentieel. Een pure cementmortel is weliswaar ijzersterk maar tevens bros; hij mist het 'zelfhelende' vermogen dat kalk aan een bastaardmortel geeft. Aan de andere kant staat de pure kalkmortel. Deze is uiterst flexibel maar kent een zeer trage uitharding die in de moderne bouwplanning vaak onhaalbaar is. De bastaardvariant is de pragmatische middenweg. Men spreekt soms ook van een 'verbeterde kalkmortel' wanneer de nadruk ligt op het toevoegen van een geringe hoeveelheid cement om de initiële harding te versnellen zonder de ademende eigenschappen van de kalk volledig teniet te doen.


Praktische toepassingen en situaties

Stel je de restauratie voor van een negentiende-eeuws herenhuis. De bakstenen zijn handgevormd en relatief zacht. Gebruik je hier een moderne, spijkerharde cementmortel? Dan barsten de stenen bij de eerste de beste vorstperiode omdat de voeg niet meegeeft. Een bastaardmortel is hier de redder. Hij is flexibel genoeg om de werking van de oude gevel op te vangen zonder de monumentale stenen te beschadigen.

Of denk aan de bouw van een lange, vrijstaande tuinmuur zonder veel dilatatievoegen. De zon brandt overdag op de stenen en 's nachts koelt de constructie snel af. Spanning bouwt zich op. Waar een zuivere cementvoeg zou knappen als glas, gedraagt de bastaardmortel zich bijna meegaand. Het vangt de thermische schokken op. Minder scheuren. Een duurzamer resultaat.

Ook bij het verwerken van sterk zuigende bakstenen bewijst de specie zijn nut. De metselaar merkt het direct aan zijn troffel. Zonder de kalk zou de steen al het water uit de mortel zuigen voordat de hechting optimaal is. De specie 'verbrandt' dan en wordt korrelig. De kalk in het bastaardmengsel houdt het vocht juist vast. Dit geeft de metselaar de nodige tijd om de steen perfect te stellen, terwijl het cement rustig kan hydrateren voor een sterke verbinding.


Normering en prestatie-eisen

NEN-EN 998-2 en CE-markering

De technische ruggengraat voor bastaardmortel is de Europese norm NEN-EN 998-2. Deze norm legt de specificaties vast voor fabrieksmatig vervaardigde metselmortels. Of het nu gaat om een droge mortel in zakken of een mix uit een doorstroommenger. De fabrikant is verplicht een prestatieverklaring (DoP) op te stellen. Hierin staan essentiële kenmerken zoals de druksterkte, de hechting en de wateropname. Voor de verwerking op de bouwplaats betekent dit dat de mortel moet zijn voorzien van een CE-markering. Zonder dit keurmerk voldoet het product formeel niet aan de Europese verordening voor bouwproducten. De sterkte van een bastaardmortel wordt meestal aangeduid met een M-klasse, waarbij M2.5 en M5 de meest voorkomende waarden zijn voor mengsels met kalk.


Constructieve veiligheid en regelgeving

BBL en de Eurocodes

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt het wettelijk kader voor bouwen in Nederland. Veiligheid staat centraal. De constructieve berekeningen van metselwerk geschieden volgens NEN-EN 1996, beter bekend als Eurocode 6. Hierin wordt de interactie tussen de baksteen en de bastaardmortel rekenkundig vastgelegd. De rekenwaarde van de druksterkte van het metselwerk hangt direct samen met de gekozen mortelkwaliteit. Bij de toepassing van bastaardmortel in dragende wanden moet de constructeur aantonen dat de lagere elasticiteitsmodulus van de kalkhoudende mortel de stabiliteit niet nadelig beïnvloedt.

Restauratie en specifieke richtlijnen

In de monumentenzorg gelden aanvullende regels. De Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) publiceert uitvoeringsrichtlijnen (URL) die specifiek ingaan op het gebruik van kalkrijke mortels. Hier wijkt de praktijk soms af van de standaard NEN-normen om de historische integriteit van een gebouw te waarborgen. Het behoud van het monumentale karakter weegt dan zwaar. In dergelijke gevallen is een nauwkeurige mortelanalyse vaak een vereiste vanuit de vergunningverlening van de gemeente of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.


Van luchtkalk naar Portlandcement

De evolutie van bastaardmortel is onlosmakelijk verbonden met de technologische verschuiving in de negentiende eeuw. Voor die tijd was luchtkalk de standaard. Dat werkte traag. Erg traag zelfs. Met de komst van Portlandcement veranderde de dynamiek op de bouwplaats radicaal. De industrie eiste snelheid, maar puur cementmortel bleek in die beginfase vaak te star en te bros voor de destijds gangbare, zachtere bakstenen. Scheuren waren het gevolg. De bouwmeesters grepen terug op de souplesse van kalk, maar wilden de hydraulische sterkte van cement niet verliezen. Zo ontstond de bastaardmortel. Het was een noodzakelijk compromis. Een pragmatisch antwoord op de industrialisatie van de bouwsector.

In de wederopbouwperiode na 1945 beleefde dit mengsel zijn absolute hoogtijdagen. Woningen moesten snel omhoog. De verwerkbaarheid op de troffel was essentieel voor de meters op de steiger. Halverwege de twintigste eeuw raakte het recept volledig gestandaardiseerd in bestekken. De bekende 1:1:6 verhouding werd een begrip. Later, met de opkomst van fabrieksmatig geproduceerde droge mortels in de jaren '70 en '80, schoof de ambachtelijke bereiding op de bouwplaats naar de achtergrond. De zandbak en de kalkton verdwenen langzaam uit het straatbeeld. Silomortels namen het over. Toch bleef de technische noodzaak van de specifieke receptuur bestaan. Juist door de geconstateerde schade aan historisch metselwerk, vaak veroorzaakt door een ondoordacht gebruik van moderne, keiharde cementmortels, ontstond er eind twintigste eeuw een herwaardering voor deze hybride mengsels binnen de restauratiesector.


Gebruikte bronnen: