De applicatie van barokpleister begint bij een egale, voorbehandelde ondergrond. De mortel wordt opgezet. Met een roestvrijstalen spaan verdeelt de verwerker het materiaal over het oppervlak, waarbij de laagdikte direct wordt bepaald door de diameter van de aanwezige marmerkorrels in de kunstharsmassa. Te veel materiaal belemmert de korrelrol. Het typerende uiterlijk ontstaat pas tijdens de afwerkfase.
Hierbij wordt een kunststof troffel gebruikt om de nog natte pleisterlaag door te schuren. De grotere korrels worden door deze mechanische druk in beweging gezet en slepen kleine kanaaltjes in de fijnere omringende mortel. Draaiende bewegingen voor een grillig patroon. Verticale of horizontale slagen geven juist een meer lineaire, rustieke uitstraling. Consistentie is hierbij essentieel. Omdat het een kunstharsgebonden product betreft, vindt de uitharding plaats door fysieke droging waarbij het water verdampt, wat uiteindelijk resulteert in een naadloze, taaie en flexibele eindlaag die de contouren van de wand volgt.
Stel je een renovatieproject voor in een oudere woning waarbij de muren na het verwijderen van oud behang niet meer perfect vlak zijn. In plaats van tijdrovend en kostbaar 'strakstucwerk', kiest de verwerker hier voor barokpleister. De subtiele groefjes en de korrelstructuur breken het licht. Kleine glooiingen in de ondergrond vallen hierdoor simpelweg niet meer op. Het maskeert de imperfecties zonder dat de wand direct een zware, gedateerde uitstraling krijgt.
In een druk trappenhuis van een appartementencomplex komt de technische kracht van de kunsthars naar voren. Kinderwagens, tassen of meubels schuren regelmatig langs de wanden. Waar een gladde gipslaag direct zou deuken of krassen, geeft de taaie barokpleister mee. Het oppervlak is stootvast. Bovendien zorgt de dichte structuur ervoor dat de wanden eenvoudig afneembaar zijn met een vochtige doek, wat essentieel is in dergelijke verkeersruimtes.
Een ander voorbeeld is de afwerking van een plafond in een horecagelegenheid met een landelijk thema. De stukadoor draait hier met de kunststof spaan kleine, grillige cirkels. Dit creëert een patroon dat doet denken aan natuursteen. Door de pleister vooraf in de massa te laten mengen op een specifieke kleur, zoals oker of zandsteen, ontstaat er een robuuste wand die ook bij een diepe kras zijn kleur behoudt. Geen witte plekken bij beschadigingen. De wand blijft jarenlang representatief zonder dat er een kwast aan te pas komt.
NEN-EN 15824 vormt het technisch kader voor kunstharsgebonden sierpleisters. Deze Europese norm stelt strikte eisen aan de hechting, wateropname en brandwerendheid van het materiaal. Cruciaal voor de verwerker. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) zijn de prestatie-eisen voor wandafwerkingen vastgelegd, waarbij de focus ligt op brandklasse-indeling volgens NEN-EN 13501-1.
Barokpleister moet in vluchtwegen of publieke ruimtes vaak voldoen aan brandklasse B-s1, d0. Dit beperkt de rookontwikkeling en de vorming van brandende druppels. De fabrikant levert hiervoor een prestatieverklaring (DoP). Zonder dit document is toepassing in projectmatige bouw riskant. De ondergrond waarop de pleister wordt aangebracht, beïnvloedt de uiteindelijke brandklasse. Een onbrandbare plaat vraagt om een andere benadering dan een houten regelwerk.
Wettelijke grenswaarden voor Vluchtige Organische Stoffen (VOS) beperken de uitstoot van schadelijke dampen tijdens en na de verwerking. De Europese richtlijn 2004/42/EG is hier leidend. Barokpleister valt onder de categorie afwerkproducten voor binnenwanden. Gezondheid voorop. De maximale concentratie gram per liter (g/l) is wettelijk vastgelegd om de luchtkwaliteit in woningen en kantoren te waarborgen.
Let bij de inkoop op het VOS-gehalte op de verpakking; dit is een verplicht gegeven voor fabrikanten.
Bij projecten die streven naar duurzaamheidscertificeringen zoals BREEAM of LEED, gelden vaak nog strengere emissie-eisen dan de basiswetgeving voorschrijft. De stukadoor moet de productinformatiebladen kunnen overleggen bij inspecties door bouwtoezicht of de hoofdaannemer. Het gaat niet alleen om het uiterlijk, maar om de aantoonbare veiligheid van het systeem.
De wortels liggen in de opkomst van de polymeerchemie. Tot halverwege de twintigste eeuw bleven stukadoors hoofdzakelijk gebonden aan minerale mortels op basis van zand, kalk en cement, maar de naoorlogse druk op de woningmarkt dwong de industrie richting snellere verwerkingsmethoden en meer flexibiliteit. Geen lange droogtijden meer. De introductie van acrylaatdispersies in de jaren zestig bood de oplossing. Ineens was het mogelijk om toeslagstoffen zoals marmerkorrels in een elastische, kant-en-klare matrix te vangen, wat de weg vrijmaakte voor de moderne sierpleisterindustrie.
In de jaren zeventig en tachtig beleefde de structuurpleister zijn absolute hoogtijdagen. Granol domineerde met zijn diepe, agressieve voren het Nederlandse interieur, maar de esthetische voorkeur verschoof langzaam naar nuance. Barokpleister ontwikkelde zich als het technische antwoord op deze veranderende vraag. Men zocht een hybride vorm; de mechanische sterkte van spachtelputz maar met een subtieler lijnenspel dan de klassieke 'boomschorsstructuur'. Fabrikanten verfijnden de receptuur door de verhouding tussen vulstoffen en rolkorrels nauwkeuriger af te stemmen, waardoor de pleister makkelijker verwerkbaar werd zonder aan maskeerkracht in te boeten. De latere aanscherping van Europese milieu-eisen en VOS-wetgeving in de vroege jaren tweeduizend leidde tot de huidige generatie emissiearme producten, waarbij de karakteristieke 'rol' van de korrel behouden bleef terwijl oplosmiddelen vrijwel volledig uit de emmer verdwenen.