Baksteenformaten

Laatst bijgewerkt: 15-01-2026


Definitie

Baksteenformaten zijn de gestandaardiseerde afmetingen van bakstenen die de maatvoering, de verwerkbaarheid en het uiteindelijke uiterlijk van metselwerk bepalen.

Omschrijving

Een baksteen moet in één hand passen. Dat is de basis van vrijwel elk formaat. Terwijl de metselaar met de ene hand de steen plaatst, hanteert de andere de troffel. Door de eeuwen heen ontstonden er regionale standaarden, vaak vernoemd naar de rivieren waar de klei vandaan kwam, zoals de Waal, de Vecht of de IJssel. Hoewel de productie tegenwoordig in hooggeautomatiseerde fabrieken plaatsvindt, blijven deze historische benamingen de norm. De keuze voor een specifiek formaat doet iets met de gevel. Grote blokken ogen massief en stoer, terwijl slanke, lange stenen juist een horizontaal lijnenspel benadrukken dat uitstekend past bij moderne architectuur. Het is niet louter een esthetische kwestie; het is pure logistiek. Hoeveel stenen gaan er in een vierkante meter? Hoeveel specie is er nodig? Alles valt of staat bij die drie cruciale getallen: lengte, breedte en hoogte.

Toepassing en maatsystematiek in de praktijk

De modulaire systematiek bepaalt het ritme op de bouwplaats. Bij de uitvoering van metselwerk met diverse baksteenformaten draait de methodiek om de lagenmaat en de koppenmaat. Men stelt profielen en verdeellatten op. Hierop wordt de exacte verdeling van stenen en voegen over de volledige gevelhoogte en -breedte uitgezet. Een lagenmaat is de optelsom van de steendikte en de lintvoeg; de koppenmaat is de breedte van de steen plus de stootvoeg. Het is wiskunde in de praktijk.

Het rekenwerk vooraf is cruciaal. Architecten en werkvoorbereiders stemmen de positie van raam- en deuropeningen af op de gekozen formaten om hak- en breekwerk tot een minimum te beperken. Dit bespaart materiaal en voorkomt esthetische onregelmatigheden in het gevelbeeld. Bij gangbare formaten zoals het Waalformaat wordt vaak uitgegaan van een standaard voeg van 10 of 12 millimeter. Bij de overstap naar dunbedmortel of lijmwerk verandert de rekensystematiek onmiddellijk. De steenmaat blijft constant. De modulaire eenheid krimpt echter aanzienlijk.

In de uitvoering drijft de metselaar de stenen horizontaal om exact binnen de gestelde koppenmaat uit te komen. Precisie is hierbij de norm. Kleine maatafwijkingen in de baksteen zelf worden opgevangen door marginale aanpassingen in de voegbreedte. Bij afwijkende, extra lange baksteenformaten verschuift de aandacht naar de stabiliteit van de staande tand en de overlap van de stenen in het verband. Geen enkel formaat staat op zichzelf. De verhouding tussen de steen, de mortel en de omliggende constructie dicteert de uiteindelijke handelingen van de vakman.


De klassieke rivierformaten en hun verhoudingen

In Nederland dicteren de rivieren van oudsher de maat. Het Waalformaat (WF) is de onbetwiste standaard met afmetingen van circa 210 x 100 x 50 mm. Het is de gulden middenweg; de steen ligt perfect in de hand en het rendement per vierkante meter is optimaal. Wie een elegantere, meer horizontale belijning wenst, wijkt vaak uit naar het Vechtformaat (VF). Deze is met 40 mm aanzienlijk dunner dan de Waalsteen, wat een verfijnd beeld geeft, mits men bereid is meer stenen per meter te verwerken. Het IJsselformaat (IJF) vormt de kleinste variant in de reeks, met een bescheiden maat van ongeveer 160 x 75 x 41 mm. Het wordt vaak geassocieerd met historische binnensteden en restauratiewerk. Aan de andere kant van het spectrum vinden we het Maasformaat en het Rijnformaat, die elk hun eigen nuances in lengte en breedte hebben, vaak ingegeven door lokale kleitradities en de krimpcapaciteit van de specifieke grondstof. Een robuustere variant is het Dikke Waalformaat (DWF), waarbij de hoogte oploopt naar 65 mm. Dit versnelt de bouw en geeft de gevel een krachtiger, minder druk uiterlijk.

Afwijkende standaarden en moderne verschijningsvormen

Niet alles past in het hokje van de rivierklei. Het Hilversums formaat valt op door zijn extreme slankheid: circa 225 tot 240 mm lang en slechts 40 mm hoog. Dit formaat was razend populair in de jaren '30 architectuur en beleeft een renaissance in de moderne villabouw. Tegenover deze verfijning staan de Kloostermoppen of monniksstenen. Dit zijn de reuzen onder de bakstenen. Middeleeuws van oorsprong, grillig van vorm en vaak meer dan 28 centimeter lang. Je tilt ze niet zomaar met één hand op. In de huidige architectuur zien we bovendien een sterke opkomst van de langformaten. Dit zijn stenen die soms wel 500 mm lang zijn, maar slechts 40 of 50 mm hoog. Ze worden vaak niet meer traditioneel gemetseld, maar verlijmd of in dunbedmortel gezet. Dit versterkt de suggestie van een massieve, gestapelde wand zonder zichtbare lintvoegen. Daarnaast bestaat het Moduulformaat. Dit is een buitenbeentje omdat de maatvoering (vaak 190 x 90 x 57 of 65 mm) specifiek is afgestemd op een modulair raster van 100 mm inclusief voeg. Dit type wordt vaak gekozen in de utiliteitsbouw waar efficiëntie en integratie met prefab-elementen de doorslag geven. Het voorkomt onnodig zaagwerk en materiaalverlies op de bouwplaats.

De visuele impact in de praktijk

Stel je een renovatieproject voor in een oude binnenstad waar een geveldeel moet worden hersteld. De metselaar heeft per ongeluk een partij Waalformaat besteld, terwijl de omliggende panden in IJsselformaat zijn opgetrokken. Het resultaat is direct storend. De nieuwe stenen ogen lomp en de lintvoegen lopen niet meer synchroon met de buren. De schaalverhouding van het hele straatbeeld raakt uit balans. In de restauratie-ethiek is het formaat daarom leidend; het bepaalt of een ingreep onzichtbaar versmelt met het origineel of er als een vreemd object bovenop ligt.

Bij een moderne villa met een minimalistisch ontwerp kiest de architect vaak voor een Hilversums formaat of zelfs een langformaat van 50 centimeter. De bewoner merkt het verschil in de schaduwwerking. Door de geringe hoogte en de extreme lengte van de steen ontstaan er bij strijklicht lange, strakke lijnen die het gebouw optisch lager en breder maken. Dit is geen toeval maar een bewuste sturing van de waarneming door de keuze van de juiste steenmaat.


Logistiek en ergonomie op de steiger

"Je voelt het in je polsen na een dag werken met kloostermoppen."

Een ervaren metselaar pakt een Waalformaat blindelings uit de pakketten. De handspan is exact groot genoeg om de steen stabiel vast te houden terwijl de troffel de mortel spreidt. Dit ritme bepaalt de productie per uur. Werk je echter met Kloostermoppen bij de restauratie van een middeleeuwse kerktoren? Dan verandert alles. De stenen zijn te groot voor één hand. De snelheid zakt, de fysieke belasting stijgt en het stellen van de profielen vraagt om een geheel andere verdeling. Het is een fysieke herinnering aan waarom we stenen ooit zijn gaan standaardiseren naar de maat van een handpalm.

In de utiliteitsbouw zie je vaak het Moduulformaat terug. Hierbij sluiten de stenen naadloos aan op prefab betonnen lateien of kozijnen die gebaseerd zijn op een 100 mm raster. Geen gezaagde passtenen bij de hoeken. Geen lelijke 'varkentjes' (smalle strookjes steen) naast de ramen. Alles klikt in elkaar als een wiskundige puzzel, wat op een groot project duizenden euro's aan faalkosten en snijverlies bespaart.


Normering en maattoleranties

Bakstenen zijn geen grillige natuurproducten in de ogen van de wetgever. De Europese norm NEN-EN 771-1 trekt de kaders voor kleiproducten. Hierin worden de nominale maten vastgelegd. Maar belangrijker nog zijn de maatafwijkingen. Een baksteen krimpt in de oven; geen enkele steen is identiek aan de volgende. De norm specificeert tolerantieklassen zoals T1, T2 of de uiterste categorie Tm. Ook spreidingsklassen zoals R1 of R2 spelen een rol. Zij bepalen hoeveel een Waalformaat in de praktijk mag afwijken van die theoretische 210 millimeter. Zonder deze harde afspraken zou een metselaar simpelweg geen strakke lagenmaat kunnen aanhouden. De gevel zou gaan 'dansen'.

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt de overkoepelende kaders voor de constructieve veiligheid van bouwwerken. Hier komt de NEN-EN 1996 om de hoek kijken, beter bekend als Eurocode 6. Deze norm rekent met de eigenschappen van het metselwerk als integraal systeem. Het gekozen baksteenformaat beïnvloedt direct de stabiliteit en de rekenkundige druksterkte van de wand. Voor de Nederlandse markt is daarnaast de BRL 1007 essentieel. Deze beoordelingsrichtlijn vormt de basis voor het KOMO-certificaat op de pallets. Het is de garantie dat de stenen op de bouwplaats voldoen aan de vooraf opgegeven specificaties. Geen verrassingen bij de constructieve keuring.


Van kloostermop tot rijksstandaard

De geschiedenis van de baksteenmaat in de Lage Landen begint bij de herintroductie van de baktechniek in de twaalfde eeuw. Kloosterordes brachten de kennis terug. De stenen uit die periode, bekend als kloostermoppen, waren fors en onregelmatig van vorm. Vaak ruim dertig centimeter lang. Geen standaardisatie. De afmeting werd simpelweg bepaald door de grootte van de houten vormbak en de krimp van de lokale klei.

Hanteerbaarheid werd leidend. In de eeuwen die volgden, kromp de steen. De metselaar moest de steen met één hand kunnen vastpakken. De andere hand bediende de troffel. Zo ontstonden de klassieke rivierformaten. De Waal, de Vecht en de IJssel gaven hun naam aan de mallen. Steden stelden eigen 'stadsmaten' vast. Dit diende de kwaliteitscontrole en de belastingheffing. Een zeventiende-eeuwse steen uit Utrecht verschilt daardoor wezenlijk van een tijdgenoot uit Amsterdam.

De negentiende eeuw bracht mechanisatie. De uitvinding van de ringoven maakte continu branden mogelijk. De strengpers verving de handvormmethode. Dit resulteerde in een hogere maatvastheid en scherpere kanten. In 1948 probeerde de overheid met de NEN 330 de versnippering tegen te gaan. Men zocht naar een uniforme rijksmaat om de naoorlogse woningbouw te versnellen. Hoewel deze norm de basis legde voor de huidige modulaire systematiek, bleven de historische formaten dominant vanwege hun esthetische waarde en de aansluiting bij bestaand stedelijk weefsel. De huidige Europese normering (NEN-EN 771-1) is het sluitstuk van deze eeuwenlange evolutie van lokale traditie naar technische standaard.


Gebruikte bronnen:

Bronnen:

Joostdevree