De integratie van azulejos in de bouwkundige schil start bij de voorbereiding van een volkomen vlakke ondergrond. Stabiel metselwerk vormt de basis. Zonder vlakheid geen resultaat. Men start doorgaans met het uitzetten van een strak raster op de kale muur, waarbij eventuele maatverschillen in de vaak handgemaakte keramische elementen direct worden gecompenseerd in het voegbeeld. Mortel of lijm. Bij figuratieve tableaus dicteert de beschildering de volgorde van verwerking; elke tegel bezit een unieke coördinaat binnen de totale compositie. Men werkt van onder naar boven.
Een smalle voegbreedte is de standaard. Dit minimaliseert de visuele onderbreking van de glazuurlaag en creëert een nagenoeg gesloten keramische huid die de achterliggende constructie beschermt tegen weersinvloeden. Terwijl de zetter de lijnvoering bewaakt, zorgt de adhesie tussen de poreuze achterzijde van de tegel en het hechtmedium voor de definitieve fixatie. Na uitharding wordt het tableau afgevoegd met een fijne, waterbestendige specie. Dit verzegelt de schil. De reflecterende eigenschappen van de glazuurlaag maskeren kleine onregelmatigheden in het oppervlak, maar de structurele integriteit van het systeem blijft volledig afhankelijk van de perfecte hechting van de scherf aan de drager.
De azulejo kent een technische evolutie die begint bij de alicatado. Dit is een mozaïektechniek waarbij keramische platen in geometrische vormen werden gesneden. Arbeidsintensief. Kostbaar. Men zocht naar efficiëntere methoden. Zo ontstond de arista-techniek, ook wel cuenca genoemd. Hierbij drukt een houten of metalen mal een patroon in de nog vochtige klei. De opstaande randjes die hierdoor ontstaan, fungeren als fysieke barrières. Ze houden de verschillende kleuren glazuur tijdens het bakproces gescheiden. Het resultaat is een strak, repeterend reliëf dat schaduwwerking toevoegt aan het geveloppervlak.
Een andere markante variant is de cuerda seca. Geen fysieke wal van klei, maar een chemische grens. Een mengsel van mangaanoxide en vet wordt gebruikt om lijnen te trekken. Het glazuur stoot deze vette lijnen af. Na het bakken blijft een matte, donkere contour over die de glanzende kleurvlakken omlijst. Deze techniek vereist een vaste hand en uiterste precisie van de decorateur.
In de zestiende eeuw transformeerde de azulejo onder invloed van de Italiaanse majolica-techniek. De tegel wordt hierbij bedekt met een wit, dekkend tin-glazuur. Men schildert direct op de nog natte ondergrond. Fouten corrigeren is onmogelijk. De kleuren trekken direct in de laag. Dit leidde tot de opkomst van de bekende blauw-witte tableaus, beïnvloed door Chinees porselein en Nederlandse witjes. Hoewel ze visueel op elkaar lijken, is de Iberische variant vaak groter en dikker dan de Delftse tegel.
Naast de figuratieve tableaus bestaan er de padrão-tegels. Dit zijn repetitieve patronen die grote wandvlakken vullen als een keramisch behang. In de negentiende eeuw deed de industriële stempeltechniek haar intrede. Dit maakte massaproductie mogelijk voor de bekleding van complete woonhuizen. Minder uniek. Wel uniformer in maatvoering, wat de verwerking in strakke rasters vereenvoudigde.
Het onderscheid tussen wand- en vloervarianten is fundamenteel. Wandtegels hebben een relatief zachte scherf en een glazuurlaag die primair is gericht op lichtreflectie en kleurechtheid. Vloerazulejos, vaak dikker uitgevoerd, moeten weerstand bieden aan slijtage en puntbelasting. Het glazuur is harder gebrand. De porositeit aan de onderzijde blijft echter cruciaal voor de hechting aan de mortelbedding.
Vaak ontstaat verwarring met de Marokkaanse zellige. Hoewel de wortels hetzelfde zijn, verschillen ze in afwerking. Zelliges zijn handgehakt en hebben onregelmatige randen waardoor ze bijna koud tegen elkaar aan worden geplaatst. De azulejo is vormvaster. De randen zijn meestal rechter. Ook de glansgraad verschilt; de Iberische tegel streeft vaak naar een glasachtige perfectie die bij de meer rustieke zellige ontbreekt.
Een monumentale stationshal in een Zuid-Europese stad biedt het ultieme voorbeeld. Blauw-witte taferelen van historische veldslagen bedekken de muren van plint tot plafond. De reiziger loopt langs een keramisch geschiedenisboek dat bestand is tegen de fysieke belasting van duizenden passanten per dag. Geen krasje te zien. De glazuurlaag blijft onverstoorbaar onder de constante stroom mensen.
De buitengevel van een smal herenhuis aan de kust. Felgekleurde, repetitieve ruitpatronen beschermen het metselwerk tegen de zilte slagregens van de Atlantische Oceaan. Onderhoud is hier een bijzaak. Een simpele poetsbeurt volstaat om de diepe glans na vijftig jaar direct terug te brengen, terwijl naburige gestuukte panden al lang kampen met afbladderende verf en zoutuitbloei.
In een schaduwrijke patio vormt de azulejo een lambrisering langs een witgepleisterde muur. De tegels voorkomen vlekken door opspattend water van de centrale fontein. Functioneel. Maar ook esthetisch: het glazuur breekt het weinige binnenvallende licht en reflecteert een koele, blauwe gloed over de vloer. Ook bij trappartijen zie je ze vaak terug. De stootborden van de treden zijn bekleed met kleine decoratieve motieven die elke trede visueel accentueren en tegelijkertijd beschermen tegen schoenstrepen.
Zonder CE-markering komt geen tegel de Europese markt op. De NEN-EN 14411 vormt het fundament voor de technische classificatie van keramische tegels, waarbij de azulejo wordt getoetst op wateropname, buigsterkte en slijtweerstand. Wateropname bepaalt alles. Voor buitengevels is vorstbestendigheid een harde eis binnen deze norm; de scherf moet immers bestand zijn tegen uitzettend vocht in de poriën. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) zijn algemene eisen vastgelegd met betrekking tot de veiligheid en gezondheid van bouwwerken. Hieronder valt ook de brandveiligheid. Keramiek is onbrandbaar. A1-classificatie volgens NEN-EN 13501-1 is de standaard voor azulejos, wat ze uitermate geschikt maakt voor vluchtwegen en publieke hallen.
Vloertoepassingen vereisen specifieke stroefheidswaarden. Glijgevaar moet worden beperkt. De NEN 7909 geeft richtlijnen voor de slipweerstand van vloeren, waarbij vaak wordt verwezen naar de Duitse R-waarden (DIN 51130) voor hellende vlakken en natte ruimtes. Een hoogglanzende azulejo op een buitentrappenhuis? Dat voldoet zelden aan de eisen zonder aanvullende maatregelen. Bij de verwerking speelt NEN-EN 12004 een rol; deze norm stelt eisen aan de lijmen en mortels waarmee de tegels aan de drager worden gehecht. Adhesie is essentieel voor de constructieve veiligheid van de gevelschil.
Restauratie is een vak apart. De Erfgoedwet beschermt historische azulejo-tableaus in rijksmonumenten. Verwijderen is verboden. Zelfs voor een grondige reiniging of het vervangen van enkele defecte tegels is vaak een omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten vereist. Authenticiteit staat voorop. Men dient bij herstelwerkzaamheden materialen te gebruiken die chemisch en fysisch compatibel zijn met de historische substantie om verdere degradatie te voorkomen. Geen moderne epoxy op een poreuze zestiende-eeuwse kalkmortel. Balans tussen behoud en techniek.
De wortels van de azulejo liggen in de Moorse cultuur. Het woord stamt af van het Arabische al-zulaich, wat gepolijste steen betekent. Een imitatie van Romeinse mozaïeken met gebakken klei als basis. In de dertiende eeuw arriveerde de techniek op het Iberisch schiereiland. Aanvankelijk domineerde het alicatado. Tijdrovend gepuzzel met kapotgeslagen tegels. Ambachtslieden sneden geometrische vormen uit grotere, reeds geglazuurde keramische platen om complexe patronen te vormen. Kostbaar. Arbeidsintensief. De bouwsector zocht naar efficiëntie.
Innovatie dreef de kosten omlaag. De vijftiende eeuw bracht de arista-techniek, waarbij houten mallen reliëf in de vochtige klei persten. De opstaande randjes fungeerden als natuurlijke dammen voor de vloeibare glazuren. Sevilla groeide uit tot het industriële epicentrum van deze techniek. Parallel daaraan ontwikkelde men de cuerda seca; vette lijnen van mangaanoxide hielden de kleuren gescheiden. Chemische barrières in plaats van fysieke kleiranden.
De zestiende eeuw markeert een radicale breuk met de geometrische abstractie. De Italiaanse majolica-techniek deed haar intrede. Men kon voortaan direct op een ongebakken, wit tin-glazuur schilderen alsof het een canvas was. Geen beperkingen meer door reliëf of vette lijnen. Deze 'pisano'-stijl transformeerde de tegelwand tot een figuratief tableau. In de zeventiende en achttiende eeuw verschoof het palet onder invloed van Chinees porselein en Nederlandse witjes naar het iconische blauw-wit. Portugal omarmde dit op monumentale schaal. Paleizen, kerken en kloosters werden volledig bekleed met verhalende keramische schillen.
Industrialisatie in de negentiende eeuw veranderde de azulejo van een aristocratisch luxeproduct naar een functioneel bouwmateriaal voor de massa. De introductie van stempeltechnieken en transferprinting maakte massaproductie mogelijk. Hele straatbeelden in steden als Porto en Lissabon werden getransformeerd. De tegel werd de standaard voor gevelbescherming tegen de zilte zeelucht. Een technische oplossing voor onderhoudsarme architectuur die tot op de dag van vandaag de visuele identiteit van de regio bepaalt.