In de bouwfysica maken we een fundamenteel onderscheid tussen het warme en het koude atrium. Het warme atrium is volledig opgenomen in de thermische schil van het gebouw. De temperatuur wijkt hier nauwelijks af van de aangrenzende kantoor- of verblijfsruimten. Dit stelt zware eisen aan de isolatiewaarde van de glaskap. Vaak is drievoudige beglazing noodzakelijk om koudeval te voorkomen. Het koude atrium daarentegen fungeert als thermische bufferzone. De ruimte is niet of slechts minimaal verwarmd. In de winter is het er warmer dan buiten, in de zomer koeler door natuurlijke ventilatie. Deze variant is energetisch interessant. Het beperkt het warmteverlies van de aangrenzende gevels zonder dat de grote centrale ruimte actief op 20 graden gehouden hoeft te worden.
Dan is er nog het hybride atrium. Dit type gebruikt mechanische ventilatie in combinatie met natuurlijke trek, vaak gestuurd door een gebouwbeheersysteem dat reageert op de actuele zonnestraling en buitentemperatuur.
Niet elke open ruimte is een atrium. Het onderscheid zit in de omsluiting en de schaal. Een lichthof is meestal bescheidener van omvang en primair bedoeld voor daglichttoetreding in diepe gebouwdelen, terwijl een atrium een verblijfsfunctie of verkeersfunctie heeft. Waar een patio per definitie in de open lucht ligt, is een atrium altijd overdekt. Een subtiel maar constructief cruciaal verschil.
Vaak ontstaat verwarring met de term vide. Een vide is simpelweg een gat in de vloer. Een atrium is de verzamelnaam voor de gehele ruimte die door één of meerdere vides wordt gevormd, inclusief de afsluitende kap en de architectonische context. Het is de optelsom van leegte en constructie.
Een medewerker op de vierde verdieping van een kantoorgebouw leunt over de balustrade. Beneden ziet hij de receptie. Geen dichte muren, maar een directe visuele verbinding door de centrale leegte. Boven hem draagt een spindelachtig stalen frame een zee van glas. Dit is het sociale hart van de organisatie.
Bij de transformatie van een oud industrieel complex wordt de smalle ruimte tussen twee bakstenen hallen overkapt. Wat eerst een tochtige steeg was, is nu een lineair atrium. Het fungeert als centrale verkeersader waar mensen droog van de ene naar de andere werkplek lopen. De oorspronkelijke buitenmuren zijn nu binnenmuren geworden. De isolatiewaarde van het gehele complex schiet omhoog zonder dat de gevels aangepast hoeven te worden.
In een groot stedelijk ziekenhuis vormt de centrale hal een koud atrium. De temperatuur is er in de winter vijftien graden. Bezoekers houden hun jas nog even aan. Het bespaart enorm op de stookkosten, terwijl de patiëntenkamers die aan dit atrium grenzen toch profiteren van het overvloedige daglicht. Geen opgesloten gevoel in een ziekenhuisbed. De enorme glazen kap zorgt voor een natuurlijk ritme van de dag, cruciaal voor het herstelproces.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) regeert hier. Brandveiligheid staat voorop. Omdat een atrium meestal meerdere verdiepingen verbindt, wordt de maximale omvang van een standaard brandcompartiment al snel overschreden, wat de inzet van een gelijkwaardige oplossing conform de voorschriften noodzakelijk maakt. Men kiest vaak voor RWA-systemen. NEN 6093 biedt hiervoor de technische leidraad. Rook moet weg. Ook NEN 6068 speelt een rol bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de omliggende ruimtes via de open vide.
Daglichttoetreding is wettelijk verplicht. NEN 2057 bepaalt de rekenmethode. Voor de diepere zones in een gebouw vormt het atrium de enige weg om aan de minimale equivalente daglichtoppervlakte te komen die het BBL voor verblijfsgebieden voorschrijft. Zonder dit glasvlak voldoet de binnenring niet. De glaskap zelf valt onder de Eurocodes voor constructieve veiligheid. Denk aan NEN-EN 1991 voor wind- en sneeuwbelasting. Veiligheid is geen optie. Het is een dwingend samenspel van normen.
De negentiende eeuw bracht de ommekeer. Gietijzer en industrieel vervaardigd glas maakten constructies mogelijk die de traditionele metselwerkbouw tartten. Het Crystal Palace in Londen (1851) bewees dat glasvlakken op stedelijke schaal konden worden toegepast. Ineens veranderde de typologie. Warenhuizen en hotels in Parijs en New York gebruikten het overkapte atrium om prestige te tonen en diepe commerciële ruimtes te verlichten. Het was de geboorte van de geconditioneerde binnenruimte. Geen koude tocht meer, maar gereguleerde grandeur.
De moderne kantoorvariant, zoals we die nu kennen, kristalliseerde zich pas echt in de jaren zestig van de twintigste eeuw. Het Ford Foundation Building (1967) in New York markeerde het nulpunt van het moderne atrium als sociale machine. Architecten zagen de vide niet langer als restruimte, maar als een instrument om de hiërarchie in organisaties te doorbreken. In Nederland volgde de grote adoptie in de jaren tachtig en negentig. De focus verschoof toen naar bouwfysica. Het atrium werd een thermische buffer. Een glazen long die het energieverbruik van grootschalige utiliteitsbouw moest temperen. Van roetvanger tot klimaatregelaar. De techniek volgde de behoefte aan transparantie.