Atrium

Laatst bijgewerkt: 14-01-2026


Definitie

Een centrale, vaak over meerdere verdiepingen doorlopende ruimte in een gebouw die doorgaans is voorzien van een glazen overkapping.

Omschrijving

Licht en lucht vormen de kern van het atrium. Waar de Romeinen in hun domus een open hof gebruikten voor ventilatie en de opvang van hemelwater via een impluvium, daar fungeert het moderne atrium als het klimatologische en sociale hart van grootschalige utiliteitsbouw. Het is een architectonisch instrument om diepe gebouwvolumes te ontsluiten; zonder deze centrale vide zouden de binnenste kantoorzones immers verstoken blijven van daglicht. De constructieve uitdaging ligt vaak in de overspanning van de kap. Slanke staalconstructies dragen enorme glasvlakken die bestand moeten zijn tegen windbelasting en sneeuwophoping. Het visuele contact tussen de verschillende verdiepingen bevordert de communicatie binnen een organisatie, maar dit grote open volume stelt tegelijkertijd complexe eisen aan de akoestiek en de brandveiligheid van het object.

Realisatie en technische samenhang

Het creëren van een atrium vergt het weglaten van massa. Een centrale vide ontstaat door vloervelden bewust te onderbreken rondom een open kern. De omliggende constructie moet de stabiliteit waarborgen die normaal door de doorlopende vloeren wordt geleverd. Vaak rust de dakconstructie als een onafhankelijk element op de primaire structuur. Een samenspel van ranke spanten en glas. Montage vindt meestal plaats met zware kranen vanaf de begane grond of via tijdelijke steunpunten op grote hoogte. Luchtstroombeheersing is cruciaal. Het volume fungeert als een thermische machine. Warme lucht stijgt. Kleppen bovenin laten de hitte ontsnappen. In de praktijk worden gevels en vloeren uitgerust met sensoren die reageren op instraling en CO2-niveaus. De vloer van het atrium wordt vaak als thermische massa ingezet. Betonkernactivering of vloerverwarming reguleert de temperatuur in de leefzone, terwijl de hogere luchtlagen mogen fluctueren. Het is een dynamisch evenwicht. Brandveiligheid dicteert de indeling. Rook- en warmteafvoersystemen (RWA) zijn standaard. Bij detectie openen luiken in de kap automatisch om de vluchtwegen rookvrij te houden. Rookschermen kunnen uit het plafond zakken om compartimentering te forceren. Akoestiek vraagt om zachte oppervlakken in een verder harde omgeving van glas en beton. Geperforeerde wandpanelen of geluidsabsorberende baffles aan balkons breken de galm. De uitvoering is een complexe integratie van ruwbouw, glasarchitectuur en klimaattechniek.

Typologieën naar thermische functie

Klimaatgestuurde varianten

In de bouwfysica maken we een fundamenteel onderscheid tussen het warme en het koude atrium. Het warme atrium is volledig opgenomen in de thermische schil van het gebouw. De temperatuur wijkt hier nauwelijks af van de aangrenzende kantoor- of verblijfsruimten. Dit stelt zware eisen aan de isolatiewaarde van de glaskap. Vaak is drievoudige beglazing noodzakelijk om koudeval te voorkomen. Het koude atrium daarentegen fungeert als thermische bufferzone. De ruimte is niet of slechts minimaal verwarmd. In de winter is het er warmer dan buiten, in de zomer koeler door natuurlijke ventilatie. Deze variant is energetisch interessant. Het beperkt het warmteverlies van de aangrenzende gevels zonder dat de grote centrale ruimte actief op 20 graden gehouden hoeft te worden.

Dan is er nog het hybride atrium. Dit type gebruikt mechanische ventilatie in combinatie met natuurlijke trek, vaak gestuurd door een gebouwbeheersysteem dat reageert op de actuele zonnestraling en buitentemperatuur.


Morfologische verschillen en afbakening

Niet elke open ruimte is een atrium. Het onderscheid zit in de omsluiting en de schaal. Een lichthof is meestal bescheidener van omvang en primair bedoeld voor daglichttoetreding in diepe gebouwdelen, terwijl een atrium een verblijfsfunctie of verkeersfunctie heeft. Waar een patio per definitie in de open lucht ligt, is een atrium altijd overdekt. Een subtiel maar constructief cruciaal verschil.

  • Kernatrium: Volledig omsloten door gebouwvolumes aan vier zijden. De kap is het enige contact met de buitenwereld.
  • Gevelatrium: Grenst aan één of meerdere zijden direct aan de buitenlucht via een glazen vliesgevel. Dit type maximaliseert het uitzicht maar is gevoeliger voor zoninstraling.
  • Lineair atrium: Ook wel een overkapte straat genoemd. Deze variant verbindt vaak verschillende gebouwdelen of ontsluit een langgerekt complex.

Vaak ontstaat verwarring met de term vide. Een vide is simpelweg een gat in de vloer. Een atrium is de verzamelnaam voor de gehele ruimte die door één of meerdere vides wordt gevormd, inclusief de afsluitende kap en de architectonische context. Het is de optelsom van leegte en constructie.


Praktijkvoorbeelden en situaties

Een medewerker op de vierde verdieping van een kantoorgebouw leunt over de balustrade. Beneden ziet hij de receptie. Geen dichte muren, maar een directe visuele verbinding door de centrale leegte. Boven hem draagt een spindelachtig stalen frame een zee van glas. Dit is het sociale hart van de organisatie.

Bij de transformatie van een oud industrieel complex wordt de smalle ruimte tussen twee bakstenen hallen overkapt. Wat eerst een tochtige steeg was, is nu een lineair atrium. Het fungeert als centrale verkeersader waar mensen droog van de ene naar de andere werkplek lopen. De oorspronkelijke buitenmuren zijn nu binnenmuren geworden. De isolatiewaarde van het gehele complex schiet omhoog zonder dat de gevels aangepast hoeven te worden.

In een groot stedelijk ziekenhuis vormt de centrale hal een koud atrium. De temperatuur is er in de winter vijftien graden. Bezoekers houden hun jas nog even aan. Het bespaart enorm op de stookkosten, terwijl de patiëntenkamers die aan dit atrium grenzen toch profiteren van het overvloedige daglicht. Geen opgesloten gevoel in een ziekenhuisbed. De enorme glazen kap zorgt voor een natuurlijk ritme van de dag, cruciaal voor het herstelproces.

Korte situatieschetsen

  • Onderwijsgebouw: Brede trappen in het atrium dienen als tribune voor presentaties; de akoestiek wordt getemd door geperforeerde panelen onder de omliggende galerijen.
  • Winkelcentrum: Een overkapte straat verbindt twee pleinen, waarbij de temperatuur door natuurlijke ventilatie via computergestuurde dakramen gereguleerd wordt.
  • Hotel: Gasten bereiken hun kamers via open gangen die uitkijken op de centrale lobby beneden, wat direct bijdraagt aan een gevoel van luxe en schaal.

Wet- en regelgeving

Kaders voor brand en licht

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) regeert hier. Brandveiligheid staat voorop. Omdat een atrium meestal meerdere verdiepingen verbindt, wordt de maximale omvang van een standaard brandcompartiment al snel overschreden, wat de inzet van een gelijkwaardige oplossing conform de voorschriften noodzakelijk maakt. Men kiest vaak voor RWA-systemen. NEN 6093 biedt hiervoor de technische leidraad. Rook moet weg. Ook NEN 6068 speelt een rol bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen de omliggende ruimtes via de open vide.

Daglichttoetreding is wettelijk verplicht. NEN 2057 bepaalt de rekenmethode. Voor de diepere zones in een gebouw vormt het atrium de enige weg om aan de minimale equivalente daglichtoppervlakte te komen die het BBL voor verblijfsgebieden voorschrijft. Zonder dit glasvlak voldoet de binnenring niet. De glaskap zelf valt onder de Eurocodes voor constructieve veiligheid. Denk aan NEN-EN 1991 voor wind- en sneeuwbelasting. Veiligheid is geen optie. Het is een dwingend samenspel van normen.


Historische ontwikkeling van het atrium

Etymologisch voert de term terug naar het Latijnse ater. Zwart. Een directe verwijzing naar de roetvlekken op de wanden in vroege Romeinse woningen; het atrium was destijds de enige plek waar rook van het open vuur kon ontsnappen. De transitie van een noodzakelijk rookgat naar een architectonisch pronkstuk voltrok zich al in de oudheid, maar de technische revolutie kwam pas veel later. Eeuwenlang bleef de centrale hof onoverdekt. Regen en wind hadden vrij spel.

De negentiende eeuw bracht de ommekeer. Gietijzer en industrieel vervaardigd glas maakten constructies mogelijk die de traditionele metselwerkbouw tartten. Het Crystal Palace in Londen (1851) bewees dat glasvlakken op stedelijke schaal konden worden toegepast. Ineens veranderde de typologie. Warenhuizen en hotels in Parijs en New York gebruikten het overkapte atrium om prestige te tonen en diepe commerciële ruimtes te verlichten. Het was de geboorte van de geconditioneerde binnenruimte. Geen koude tocht meer, maar gereguleerde grandeur.

De moderne kantoorvariant, zoals we die nu kennen, kristalliseerde zich pas echt in de jaren zestig van de twintigste eeuw. Het Ford Foundation Building (1967) in New York markeerde het nulpunt van het moderne atrium als sociale machine. Architecten zagen de vide niet langer als restruimte, maar als een instrument om de hiërarchie in organisaties te doorbreken. In Nederland volgde de grote adoptie in de jaren tachtig en negentig. De focus verschoof toen naar bouwfysica. Het atrium werd een thermische buffer. Een glazen long die het energieverbruik van grootschalige utiliteitsbouw moest temperen. Van roetvanger tot klimaatregelaar. De techniek volgde de behoefte aan transparantie.


Gebruikte bronnen: