Anti-slipwaarde

Laatst bijgewerkt: 14-01-2026


Definitie

Maatstaf voor de stroefheid van een oppervlak die de weerstand tegen uitglijden kwantificeert, doorgaans uitgedrukt in R-, ABC- of PTV-waarden.

Omschrijving

Veiligheid op de werkvloer begint bij de ondergrond. De anti-slipwaarde bepaalt hoe effectief een vloer uitglijden voorkomt, zeker wanneer er sprake is van vervuiling door water, olie of vet. De R-waarde, gebaseerd op de Duitse norm DIN 51130, is hierbij leidend voor schoeiselgebruik. Men test dit door een proefpersoon met genormeerde werkschoenen over een met motorolie besmeurd hellend vlak te laten lopen. De hoek waarbij de persoon de grip verliest, bepaalt de classificatie. Het begint bij R9 voor droge zones en loopt op tot R13 voor extreem gladde industriële omgevingen. In de utiliteitsbouw is deze waarde bepalend voor de goedkeuring van een vloersysteem. Architecten en aannemers moeten hier nauwgezet naar kijken. Een verkeerde keuze leidt tot ongevallen.

Bepaling en uitvoering

De vaststelling van de anti-slipwaarde geschiedt via gestandaardiseerde beproevingsmethoden waarbij de interactie tussen het oppervlak en een bewegend lichaam centraal staat. De hellende vlak-test vormt hierbij de basis. Een testpersoon loopt over een testpaneel dat op een mechanisch kantelbare bank is gemonteerd. De hoek van dit vlak neemt geleidelijk toe. Bij de bepaling van de R-waarde draagt de tester genormeerd schoeisel terwijl het oppervlak is verzadigd met motorolie. De hellingshoek waarbij de persoon onveiligheid ervaart of uitglijdt, markeert het omslagpunt. Dit proces herhaalt zich voor de ABC-waarde, maar dan met blote voeten op een met water en zeep bevochtigde ondergrond.

De hoekmeting dicteert de uiteindelijke klasse. Een andere veelgebruikte techniek is de pendeltest. Hierbij zwaait een mechanische arm met een rubberen glijblok over het oppervlak. De wrijving tussen het rubber en de vloer remt de zwaaiarm af. De hoogte van de uitslag na contact bepaalt de PTV-waarde. Deze methode is specifiek geschikt voor metingen op locatie. Het biedt inzicht in de stroefheid van reeds opgeleverde vloersystemen. Slijtage en vervuiling beïnvloeden de resultaten. In laboratoria worden monsters onder gecontroleerde condities getest om een objectieve vergelijking tussen verschillende materialen mogelijk te maken.


Classificatiesystemen en toepassingsgebieden

R-waarde versus ABC-normering

Stroefheid is contextafhankelijk. Een vloer die stroef aanvoelt met droge zolen, verandert in een ijsbaan zodra er een oliefilm op ligt. Daarom de splitsing. De R-waarde (R9 tot R13) bepaalt de norm voor werkplekken waar men schoenen draagt. Hoe hoger het getal, hoe steiler de helling voordat de testpersoon de grip verliest. R9 volstaat vaak voor kantoren. R13 is bittere noodzaak in vethuizen of slachterijen. Maar voor de blote voet is dit onvoldoende.

Daar komt de ABC-waarde om de hoek kijken. Deze variant test met zeepwater op de onbedekte huid. Klasse A is voor droge kleedruimtes, klasse B voor inloopdouches en klasse C voor de allersteilste trapjes in het water of de rand van een dompelbad. Verwar deze twee niet; een R12-vloer kan met blote voeten onprettig ruw aanvoelen, terwijl de grip in natte condities toch tegenvalt door een verkeerd profiel.

Verdringingsruimte (V-waarde)

Naast de pure wrijving bestaat er de V-waarde. Dit is de verdringingsruimte. Essentieel bij vloeistofbelasting. Het cijfer (V4 tot V10) geeft aan hoeveel kubieke centimeter aan vloeistof er per vierkante decimeter in het profiel van de vloer kan worden opgevangen. Zonder deze ruimte ontstaat aquaplaning. De zool 'drijft' dan op de olie of het water, ongeacht hoe ruw de toplaag is. In de industriële voedselverwerking is een combinatie van een hoge R-waarde en een adequate V-waarde de enige weg naar veiligheid.

PTV en de dynamische wrijvingscoëfficiënt

In rapportages duikt vaak de PTV (Pendulum Test Value) op. Dit is de realiteitscheck voor opgeleverde projecten. Waar de R-waarde een laboratoriumwaarde is op basis van een hellend vlak, meet de pendeltest de stroefheid direct op de locatie. Een PTV van 36 of hoger geldt doorgaans als een veilige ondergrond. Soms wordt er gesproken over de dynamische wrijvingscoëfficiënt (μ). Dit is een natuurkundige benadering van de weerstand. Lage waarden betekenen glijgevaar. Hoge waarden betekenen grip. Maar pas op met vervuiling; stof en slijtage trekken elke waarde omlaag.


Praktijksituaties en toepassingen

Denk aan de entree van een modern advocatenkantoor. Een strakke, hoogglans natuurstenen vloer met een R9-classificatie. Bij droog weer geen enkel probleem. Maar op een regenachtige maandagochtend, wanneer cliënten met natte zolen binnenstappen, verandert diezelfde vloer in een ijsbaan. De anti-slipwaarde is hier marginaal; de veiligheid hangt volledig af van de droogloopmat bij de deur.

In de grootkeuken van een ziekenhuis is het een ander verhaal. Daar wordt gewerkt met vetten en kokende vloeistoffen. Men kiest hier voor een vloer met een R12-waarde en een V4-verdringingsruimte. De noppen in de tegels zorgen dat gemorst vet tussen de profielen zakt. De kok houdt grip. Zijn veiligheidsschoen raakt de toplaag, niet de glijdende vloeistoflaag. Zonder die V-waarde zou hij gaan aquaplanen.

RuimteVereiste waardeKenmerk
KantoorruimteR9Droog, schoeisel, lage belasting
Openbare toilettenR10 / Klasse AVocht mogelijk, wisselend gebruik
GrootkeukensR12 - R13 / V4Vet, olie, intensieve reiniging
ZwembadrandKlasse B of CBlote voeten, constant nat

De randen van een buitenzwembad vragen om klasse C. Blote voeten op natte, vaak licht hellende tegels. Je herkent dit aan de fijne, bijna schuurpapierachtige textuur van de keramische tegels. Het voelt stroef, zelfs als er een laagje water op staat. Het materiaal moet grip bieden zonder de huid van de voetzool te beschadigen.

Een pendeltest in een supermarkt na een verbouwing. De PTV-waarde wordt gemeten omdat klanten klagen over gladheid bij de groenteafdeling. De testarm zwaait uit. De waarde stopt bij 28. Veel te laag voor een veilige winkelomgeving waar vloeistof op de grond kan liggen. De vloer moet chemisch worden nabehandeld om de microstructuur te openen en de stroefheid te verhogen naar een PTV van minimaal 36.


Normatieve kaders en wettelijke zorgplicht

De wet zwijgt vaak over specifieke getallen. Althans, in directe zin. Waar het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) spreekt over een 'veilig gebruik' van vloeren, wordt de concrete invulling overgelaten aan de markt en de techniek. De Arbowet vormt hier de werkelijke stok achter de deur. Werkgevers hebben een zorgplicht. Zij moeten een veilige werkplek garanderen, wat in de praktijk betekent dat de stroefheid van de vloer moet aansluiten bij de specifieke risico's van de werkzaamheden. Een vloer in een vethal zonder adequate R-waarde is juridisch onverdedigbaar bij een ongeval.

NEN-EN 16165 fungeert momenteel als de centrale Europese norm voor het bepalen van de slipweerstand. Deze norm harmoniseert verschillende testmethoden, waaronder de pendeltest en de beproeving met het hellende vlak. Hoewel de bekende Duitse normen DIN 51130 (schoeisel) en DIN 51097 (blote voeten) formeel zijn opgegaan in deze Europese standaard, blijven de R- en ABC-classificaties de voertaal in Nederlandse bestekken en technische omschrijvingen. De markt houdt vast aan wat bekend is. Architecten en constructeurs hanteren deze waarden om te voldoen aan de eisen van verzekeraars en controlerende instanties.

Aansprakelijkheid stopt niet bij de oplevering. Artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek stelt de bezitter van een opstal aansprakelijk voor schade door een gebrekkige toestand van het bouwwerk. Een vloer die door slijtage of verkeerd onderhoud zijn oorspronkelijke anti-slipwaarde verliest, kan als gebrekkig worden beschouwd. Regelmatige controlemetingen via de pendelmethode (PTV) zijn daarom in publieke gebouwen geen luxe maar een noodzakelijke bewijsvoering voor de beheerder.


Ontstaan en evolutie van stroefheidsnormen

Stroefheid was decennialang een kwestie van intuïtie. Een ambachtsman voelde aan het oppervlak en gaf een oordeel. Met de schaalvergroting in de zware industrie tijdens de wederopbouw volstond dit niet langer. De roep om kwantificeerbare veiligheid werd luider. In de vroege twintigste eeuw experimenteerde men met simpele sleepblokken om wrijving te meten. De statische wrijvingscoëfficiënt bleek echter onvoldoende voor de werkelijke dynamiek van een uitglijdende werknemer.

De echte doorbraak kwam uit de Duitse hoek. In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelden de Berufsgenossenschaften methodieken om arbeidsongevallen terug te dringen. De hellende bank verving de theoretische berekening. Het was een nuchtere, bijna brute aanpak: laat een testpersoon lopen over een besmeurd vlak en kijk exact bij welke hoek het misgaat. Deze empirische benadering legde de basis voor de DIN-normen die de R- en ABC-classificaties wereldwijd op de kaart zetten. Ondertussen hielden de Britten vast aan de pendeltest, ontwikkeld voor onderzoek naar vliegtuigbanden op landingsbanen, maar later vertaald naar de gebouwde omgeving.

Decennia lang bestonden deze nationale testprotocollen naast elkaar. Fabrikanten moesten hun producten dubbel laten certificeren om de Europese markt te bedienen. Pas met de recente introductie van de EN 16165 is er een einde gekomen aan deze versnippering. Deze norm harmoniseert de verschillende meetmethoden in één Europees kader. De focus is verschoven. Van louter preventie op de fabrieksvloer naar een integraal onderdeel van de juridische bewijsvoering bij aansprakelijkheidstellingen.


Vergelijkbare termen

R-waarde | Slipweerstand | Wrijving

Gebruikte bronnen: