Het proces vangt aan met het uiterst nauwkeurig afschrijven van de pen-en-gatverbindingen op het ruwe hout. Vaklui vormen de pennen aan de uiteinden van de horizontale ankerbalk. Deze pennen zijn opvallend lang; ze moeten de volledige dikte van de verticale stijl passeren en aan de buitenzijde voldoende oversteken voor de latere borging. In de stijlen worden de corresponderende gaten uitgehakt of machinaal geboord. De maatvoering luistert nauw. Een te ruime passing verzwakt de stabiliteit, terwijl een te krappe pen het splijten van de stijl riskeert tijdens de montage.
Assemblage gebeurt traditioneel liggend op de bouwplaats, vaak aangeduid als het proefleggen. Men schuift de ankerbalk tussen de twee stijlen tot de borsten van de balk strak tegen de binnenzijde van de staanders rusten. Het resultaat is een liggend juk. Het oprichten van dit loodzware geraamte is een kritieke fase. Met behulp van takels, lieren of gecoördineerde mankracht wordt het gehele juk verticaal gezet en op de gebintstenen of fundering gepositioneerd. Het staat dan nog los.
De mechanische trekspanning ontstaat pas wanneer de wiggen worden gedreven; een essentieel moment waarbij de losse onderdelen transformeren tot een starre eenheid.
Zodra het juk loodrecht en op de juiste positie staat, volgt de definitieve verankering. Men drijft houten wiggen met krachtige slagen in de gleuven van de uitstekende pennen aan de buitenzijde van de stijlen. Deze handeling trekt de stijlen onwrikbaar tegen de ankerbalk aan. Er ontstaat een verbinding die bestand is tegen de zijdelingse druk van de kapconstructie. Na de fixatie van de individuele jukken worden deze in de lengterichting gekoppeld door de gebintplaten over de stijlen te leggen, waarmee de basis voor de verdere dakopbouw is gelegd.
Hoewel het principe universeel is in de Lage Landen, kennen verschillende streken hun eigen accenten. In de oostelijke zandgebieden zijn de ankerbalken vaak massiever uitgevoerd dan in de rivierengebieden. Men spreekt ook wel simpelweg van een 'doorstoken gebint'. In sommige documenten wordt de term 'jukgebint' gebruikt als overkoepelende naam, maar die term dekt de specifieke mechanica van de ankerbalk niet volledig. Een overzicht van de terminologische verschillen:
| Term | Kenmerkend aspect |
|---|---|
| Ankerbalkgebint | Pen door de stijl, geborgd met wiggen. |
| Tussenbalkgebint | Balk tussen de stijlen, pen stopt halverwege de stijl. |
| Kopbalkgebint | Balk ligt bovenop de stijlen (op de koppen). |
| Zolderbalkgebint | Ankerbalk die specifiek de zoldervloer draagt. |
Stel je een gerenoveerde Achterhoekse woonboerderij voor. Midden in de woonkamer staat een robuuste eiken staander. Kijk op ooghoogte. Je ziet de kop van de ankerbalk dwars door de kolom prikken. Twee houten wiggen houden de boel onder spanning. Geen decoratie, maar noodzaak. Zonder deze verbinding zouden de muren door het enorme gewicht van de rieten kap simpelweg naar buiten wijken. Een constructie die na driehonderd jaar nog geen millimeter is verschoven.
In de bouw van een modern eiken bijgebouw zie je dit principe terugkeren. De timmerman gebruikt geen stalen hoekankers. Hij kiest voor een doorstoken gebint vanwege de zijdelingse druk van de zware sporenkap. Tijdens de montage hoor je het doffe geluid van de moker. De vakman drijft de wiggen aan. Het frame trekt zichzelf muurvast. Puur mechanische klemkracht.
Kijk omhoog in de deel van een klassiek hallenhuis. De ankerbalken zitten hier vaak op ongeveer twee meter hoogte. Daarboven steken de stijlen nog een flink eind door; de zogenaamde oren. Dit creëert op de zolder een enorme, ononderbroken ruimte. Ideaal voor hooiopslag. De ankerbalk fungeert hier dubbelop: als vloerdrager voor de oogst én als de ankerverbinding die de zijgevels behoedt voor instorten onder de druk van het opgestapelde hooi. Een slimme indeling, gedicteerd door de positie van het gebint.
Je herkent het ankerbalkgebint direct aan de buitenzijde van de stijl: een uitstekende balkkop met twee houten spieën. Ziet u dit niet? Dan is het waarschijnlijk een tussenbalkgebint.
Bij de toepassing van een ankerbalkgebint in moderne bouwprojecten vormt het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) het wettelijk kader. Veiligheid staat centraal. De constructie moet voldoen aan de fundamentele eisen voor mechanische weerstand. Voor houtconstructies is NEN-EN 1995 (Eurocode 5) de aangewezen norm. Deze norm schrijft voor hoe de sterkte van houtverbindingen berekend wordt. Een traditioneel ankerbalkgebint vraagt hierbij om extra aandacht; de 'restdoorsnede' van de stijl ter plaatse van het gat voor de pen is een kritiek punt in de stabiliteitsberekening.
Bevindt het gebint zich in een rijks- of gemeentelijk monument? Dan treedt de Erfgoedwet in werking. Constructieve wijzigingen zijn dan vergunningplichtig. Men hanteert vaak de uitvoeringsrichtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Specifiek URL 3001 (Historisch Hout) is relevant voor het herstel van gebintconstructies. Het uitgangspunt is behoud van historisch materiaal. Vervanging van een ankerbalk door staal is meestal niet toegestaan vanuit esthetisch en historisch oogpunt. Men kiest eerder voor een 'aanpassing in de geest van het origineel'.
Constructeurs moeten rekening houden met de volgende aspecten:
Regelgeving dwingt tot precisie. Een ankerbalkgebint is prachtig, maar de constructeur moet bewijzen dat de verbinding met de wiggen ook na vijftig jaar de beoogde treksterkte behoudt. Zonder berekening geen goedkeuring.
De noodzaak tot schaalvergroting in de late middeleeuwen dwong timmerlieden tot constructieve innovatie. Het dekgebint volstond niet langer. Bij dat oudere type rustte de horizontale balk simpelweg bovenop de verticale stijlen, wat de zijwaartse stabiliteit beperkte en de muurhoogte aan banden legde. In de vijftiende eeuw vond een verschuiving plaats naar het doorstoken gebint. Door de balk door de stijl heen te voeren en te borgen met wiggen, ontstond een starre trekverbinding. Dit bood de mogelijkheid om de zijgevels te verhogen en de zolderruimte optimaal te benutten voor de opslag van graan en hooi. Pure noodzaak gedreven door een veranderende agrarische economie.
Het hallenhuis in de oostelijke en centrale zandgebieden van Nederland vormde het primaire toepassingsgebied. De techniek evolueerde hand in hand met de beschikbaarheid van zwaar eikenhout. In de zeventiende en achttiende eeuw bereikte de constructie haar volwassenheid; de verbindingen werden gestandaardiseerd en de dimensies van de balken namen toe om de zwaarder wordende oogsten te kunnen dragen. Het was een periode van technische verfijning. Timmerlieden konden zonder metalen bevestigingsmiddelen enorme overspanningen realiseren.
De neergang van het ankerbalkgebint begon in de negentiende eeuw. De industriële revolutie introduceerde nieuwe materialen. Staal en beton boden goedkopere en minder arbeidsintensieve alternatieven voor de complexe pen-en-gatverbindingen. Bovendien veranderde de indeling van boerderijen door nieuwe landbouwmethoden, waarbij de grote open deel minder essentieel werd. De ambachtelijke kennis raakte op de achtergrond. Tegenwoordig ziet de sector een heropleving van het systeem in de ecologische bouw en luxe houtbouw, waar de historische stabiliteit en esthetiek van de trekverbinding opnieuw op waarde worden geschat.