De uitvoering van een alternerend stelsel begint bij de mathematische verdeling van het grondplan. Een spel met assen. Men projecteert de hoofdtraveeën van het middenschip, waarbij de hoekpunten de locaties dicteren voor de zwaarste steunpunten: de hoofdpijlers. Deze pijlers dragen vaak zware schalken of diensten die ononderbroken doorlopen tot aan de aanzet van de gordelbogen. Tussen deze massieve ankers plaatst de bouwer de lichtere elementen. Dat zijn vaak monolitische zuilen of minder complexe tussenpijlers.
Het ritme bepaalt de boogconstructie. Bij een enkelvoudig alternerend stelsel volgt de volgorde A-B-A. De pijler vangt de hoofddruk op. De zuil ondersteunt de arcade. Complexere varianten, zoals het dubbel alternerend stelsel, hanteren een A-B-B-A ritmiek, wat vaak terug te zien is in de Rijnlandse romaanse architectuur. De metselaar voert de scheibogen uit in directe relatie tot deze hiërarchie. De zware pijler krijgt meer volume. De zuil blijft rank. De krachten vloeien zo via de gordelboog naar de dikste muurdelen, terwijl de zijbeuken met lichtere overspanningen toekunnen. Een spel van krachten. Een logische ordening van steen. Alles is gericht op de beheersing van de zijdelingse druk van de gewelven.
In de Sint-Cyriakuskerk in Gernrode ervaar je het meest zuivere voorbeeld van het enkelvoudig alternerend stelsel. Je loopt door het middenschip en passeert een rigide ritme: een zware, hoekige pijler wordt direct gevolgd door een slanke, ronde zuil met een geprononceerd kapiteel. Het oogt als een hartslag in steen. De dikke pijler fungeert hier als het ankerpunt voor de houten zoldering, terwijl de zuil slechts de arcadeboog ondersteunt.
Kijk naar de Dom van Hildesheim voor de Nedersaksische variant. Hier tref je het dubbel alternerend stelsel aan. Het patroon is complexer: Pijler - Zuil - Zuil - Pijler. De afstand tussen de zware steunpunten is groter. De ruimte tussen de pijlers voelt opener aan. Toch blijft de hiërarchie helder. De pijlers markeren de hoeken van de grote traveeën; de zuilen fungeren als ritmische tussenstappen die de schaal van de zijbeuk menselijk houden.
Een ander herkenbaar detail in de praktijk is de aanwezigheid van schalken of diensten. Bij een alternerend stelsel zie je vaak dat alleen de zware pijlers voorzien zijn van deze verticale muurstaven die helemaal doorlopen tot aan de gewelfaanzet. De tussenliggende zuil stopt abrupt bij de boog van de arcade. Geen franjes. Geen doorlopende lijnen omhoog. Het is een visuele code. Waar de schalken omhoog klimmen, daar landt de zwaarste druk van het stenen gewelf. De bouwer laat je precies zien waar de constructie het hardst moet werken.
Wie werkt aan een gebouw met een alternerend stelsel, begeeft zich direct op het terrein van de Erfgoedwet. Deze wet vormt de juridische basis voor de bescherming van rijksmonumenten in Nederland. Het stelsel is meer dan een decoratief patroon; het is een integraal onderdeel van de monumentale waarde. De constructieve hiërarchie mag daarom niet worden aangetast. Elke ingreep aan de zware pijlers of de tussenliggende zuilen vereist een omgevingsvergunning voor een monumentenactiviteit. De wet beschermt hier de historische substantie tegen ondoordachte modernisering.
De regelgeving rondom constructieve veiligheid is complex. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt de kaders voor de huidige stabiliteitseisen. Bij herbestemming of restauratie moet de belastingafdracht van de gewelven via de pijlers vaak opnieuw worden doorgerekend. Dit is specialistenwerk. De historische logica van het alternerend stelsel moet immers worden vertaald naar moderne rekenmethodieken zonder de authenticiteit te schaden. Hierbij spelen de Uitvoeringsrichtlijnen (URL) van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg een cruciale rol. Deze richtlijnen bieden de technische invulling voor het werken aan historisch metselwerk en natuursteenconstructies. Ze zorgen ervoor dat de specifieke krachtenverdeling behouden blijft. Een verkeerde materiaalkeuze bij de reparatie van een zware pijler kan de ritmiek en de spanning in de gehele arcade verstoren. De wet dwingt hier tot respect voor het oorspronkelijke constructieve ontwerp. Geen concessies aan de stabiliteit. Geen verlies van historisch karakter.
De overgang van hout naar steen dwong de middeleeuwse bouwer tot radicale keuzes. Vroegchristelijke basistypes vertrouwden op uniforme zuilenrijen voor hun lichte, houten zolderingen. Stabiel genoeg voor die tijd. Maar de ambitie in de tiende eeuw groeide en de Ottonen zochten naar monumentale massa. De St. Cyriakus in Gernrode, omstreeks 960, markeert hierin het cruciale kantelpunt. Hier verscheen het Stützenwechsel niet als decoratieve gril, maar als antwoord op de toenemende druk van de massieve bovenbouw. De steen eiste een anker. De pijler werd dat anker.
Pure noodzaak dicteerde het ritme. De romaanse bouwmeester ontdekte gaandeweg dat de belasting van de muren niet overal identiek was. Waarom kostbare natuursteen verspillen aan een massieve wand als een slanke zuil de tussenliggende arcadeboog ook kan dragen? Het bespaarde materiaal. Het bespaarde tijd. Het gaf bovendien lucht en dynamiek aan het voorheen monotone interieur. In de elfde eeuw kristalliseerde dit uit tot een vaststaand constructief dogma binnen de Saksische en Rijnlandse architectuur. In die laatste regio ontstond de voorkeur voor het dubbel alternerend stelsel. Twee zuilen tussen de hoofdpijlers. Een grotere overspanning. Meer elegantie, zonder dat de stabiliteit van de hoofdtravee in het geding kwam.
Toen het stenen gewelf de houten zoldering definitief verving, werd de hiërarchie in de onderbouw nog dwingender. De zware pijler werd de gastheer van de gordelboog; de zuil bleef slechts de dienaar van de arcade. De logica was ijzersterk. Met de opkomst van de gotiek vervaagde deze noodzaak echter weer. De uitvinding van het kruisribgewelf en de bundelpijler zorgde voor een meer gelijkmatige verdeling van de krachten langs de wanden. Uniformiteit werd de nieuwe standaard en de dynamische wisseling tussen pijler en zuil verdween naar de achtergrond. Het alternerend stelsel bleef achter als het technisch geheugen van de romaanse zoektocht naar het evenwicht tussen massa en overspanning.