De constructieve opbouw begint dikwijls beneden de zichtbare vloerlijn. Daar moet de constructeur rekenen met puntlasten van duizenden kilo's, wat in de ruwbouwfase al leidt tot de stort van een verzwaarde funderingsvoet of een lokaal versterkte betonvloer. Bij de assemblage van natuurstenen altaren worden de stipes en de mensa met uiterste precisie op elkaar gepositioneerd, waarbij rvs-doken of ankers onzichtbaar in de steen worden aangebracht om horizontale verschuiving te blokkeren. Precisie is hierbij de norm. Een uiterst dunne mortelvoeg of een nagenoeg naadloze droge stapeling typeert de verbinding tussen de massieve elementen.
In de bovenplaat wordt soms een sepulcrum uitgehakt, een technische uitsparing voor relikwieën die met een afdekplaat wordt verzegeld. De logistiek op de bouwplaats is een hoofdstuk apart. Vanwege de monumentale omvang vindt de plaatsing vaak plaats met zwaar materieel voordat de gevels volledig gesloten zijn of via versterkte transportbanen over de definitieve vloer. Het supedaneum, het verhoogde platform, wordt pas daarna afgewerkt met natuursteen of tegels, waardoor de basis van het altaar constructief wordt ingebed in de architectuur van het koor. Bij houten varianten wordt vaak gekozen voor robuuste pen-en-gatverbindingen die de werking van het materiaal opvangen zonder de stabiliteit te verliezen.
In de kerkarchitectuur bepaalt de positie vaak de benaming en de technische uitvoering. Het hoogaltaar vormt het hoofdpunt in het koor, meestal geplaatst op de centrale as van de kerk. Daartegenover staan de zijaltaren, die zich in de zijbeuken of straalkapellen bevinden en vaak minder monumentale afmetingen hebben. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie zien we bovendien het volksaltaar. Dit is een vrijstaande constructie, gepositioneerd tussen het koor en het schip, waardoor de priester met het gezicht naar de gelovigen kan staan. Constructief vereist dit type een alzijdige afwerking, in tegenstelling tot oudere altaren die vaak tegen een muur of retabel zijn gebouwd.
De bouwwijze varieert aanzienlijk. Een blokaltaar is een massieve, gesloten constructie van natuursteen of metselwerk. Het straalt onverzettelijkheid uit. Het tafelaltaar daarentegen rust op kolommen of stipes, wat de constructie een opener karakter geeft. Een specifieke variant is het sarcofaagaltaar, waarbij de onderbouw de vorm van een graftombe aanneemt, vaak bedoeld om relieken van heiligen in het zicht te houden of symbolisch te huisvesten.
Niet elk altaar is een onwrikbaar onderdeel van de fundering. Het altare portatile, oftewel het draagbare altaar, bestaat uit een kleine, gewijde altaarsteen die in een houten of metalen tafelblad kan worden ingelaten. Dit maakt liturgische handelingen op locatie mogelijk. In moderne, multifunctionele kerkgebouwen wordt soms gekozen voor verrijdbare varianten. Deze moeten stabiel genoeg zijn voor de rituelen, maar licht genoeg voor transport over de vloerafwerking. Het onderscheid met een credens is hierbij essentieel; een credens is slechts een bijzettafel voor liturgisch vaatwerk en mist de gewijde status en de zware constructieve eisen van het eigenlijke altaar.
Tijdens de ingrijpende restauratie van een neogotische kerk stuit de aannemer op een constructieve uitdaging. Het hoofdaltaar, een massief blok zandsteen van ruim drieduizend kilo, vertoont scheidingsscheuren. Bij het lichten van de omliggende vloerdelen blijkt de onderliggende gemetselde poer verzakt door een veranderde grondwaterstand. Hier is geen sprake van meubelherstel. De constructeur moet een nieuw funderingsplan maken waarbij de puntlast van het altaar direct naar de zandlaag wordt geleid, dwars door de bestaande cryptevloer heen.
In een modern, multifunctioneel kerkelijk centrum ziet de uitvoering er anders uit. Geen loodzware steen, maar een verrijdbaar tafelaltaar van massief eikenhout. De wielen zijn vernuftig en onzichtbaar verzonken in de poten. Dit staat flexibiliteit toe. Voor een concert wordt het altaar naar de zijkant gerold, maar tijdens de dienst staat het muurvast op de centrale as dankzij een verborgen remsysteem dat de stabiliteit van een vast object nabootst.
De steenhouwer op de bouwplaats van een nieuwe kapel werkt aan de afwerking van de mensa. Hij freest met uiterste precisie een kleine, rechthoekige holte uit in het hart van de natuurstenen plaat. Dit is het sepulcrum. Nadat de relikwieën zijn geplaatst, wordt een passend deksteentje met een uiterst dunne laag tweecomponentenlijm verzegeld. De voeg is nagenoeg onzichtbaar. Het is puur vakmanschap waarbij millimeterwerk het verschil maakt tussen een tafel en een gewijd monument.
Denk ook aan de logistiek bij een renovatie in een binnenstad. Een prefab natuurstenen altaar moet in één deel naar binnen. De deuropening is te smal. De aannemer moet een tijdelijke opening in de zijgevel maken of het dak deels openen om het element met een kraan op het supedaneum te laten zakken voordat de afbouw begint. Het altaar dicteert hier de volgorde van het bouwproces.
Het altaar begon als een ruwe steen. Geen ontwerp, enkel functie. Vroege christenen gebruikten de graven van martelaren in de Romeinse catacomben als tafel voor de eucharistie, wat de directe technische oorsprong verklaart van het huidige gebruik om relikwieën in de mensa te metselen. Pas later ontstond de behoefte aan een vaste architectonische vorm in de eerste bovengrondse basilieken. In het jaar 517 verplichtte het Concilie van Epaone het gebruik van natuursteen voor altaren die met chrisma werden gezalfd. Een besluit met enorme gevolgen voor de bouwsector. Hout verdween uit de gratie. Steen werd de norm. Middeleeuwse altaren schoven bovendien steeds verder naar de achterwand van de apsis, waardoor ze fysiek onderdeel werden van de muurconstructie en vaak uitgroeiden tot monumentale retabels met enorme verticale lasten waar de fundering op aangepast moest worden.
De grootste omslag voor de utiliteitsbouw in de religieuze sector vond echter plaats in de twintigste eeuw. Het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) gooide het roer om. De priester keerde zich naar de gelovigen. Het altaar kwam los van de muur te staan. Dit was niet enkel een liturgische verandering, maar ook een constructieve uitdaging. Het object werd een vrijstaand element, het volksaltaar, waardoor de lastoverdracht niet langer via de koormuur maar direct via de centrale vloervelden van het priesterkoor verliep. Architecten en constructeurs moesten opeens rekening houden met zichtlijnen van 360 graden en een alzijde afwerking van de stipes. Geen ruwe achterkanten meer. Alles werd zichtbaar. Deze transitie van wandgebonden monument naar centraal sculpturaal ankerpunt bepaalt tot op de dag van vandaag de logistiek bij kerkenbouw en herinrichting.