De realisatie begint vaak bij het metselen van een rollaag. Bakstenen gaan op hun kant. Onder een hoek. De mortel moet hierbij de ruimte tussen de stenen en de ondergrond volledig vullen om capillaire holtes te vermijden waar vocht kan stagneren. Bij prefab elementen van natuursteen of beton wordt gewerkt met kant-en-klare delen die in een mortelbed worden gelegd, waarbij de exacte positionering ten opzichte van het kozijn bepalend is voor de effectieve afwatering. De overstek is essentieel voor het functioneren. Meestal steekt het element drie tot vijf centimeter buiten het gevelvlak uit.
Aan de onderzijde bevindt zich het waterhol. Dit is een ingeslepen gleuf die de oppervlaktespanning van het aflopende hemelwater doorbreekt, waardoor druppels direct naar beneden vallen in plaats van terug naar de gevel te kruipen. De aansluiting met de achterliggende spouw wordt gezekerd door een waterkerende folie, zoals dpc, die achter de afzaat wordt opgetrokken tot tegen het kozijn of het binnenspouwblad. Dit vormt een barrière tegen optrekkend of doorslaand vocht. De zijden van de afzaat worden in het metselwerk van de dagkant opgenomen, waarbij de hoekstenen vaak specifiek op maat worden geslepen voor een naadloze overgang. Een strakke voeg aan de bovenzijde sluit het geheel af.
Baksteen vormt de traditionele basis voor de afzaat. In de vorm van een rollaag staan de stenen schuin op hun kant, waarbij de mortelvoegen paradoxaal genoeg zowel de verbinding als het zwakste punt vormen. Voor een strakker resultaat wordt vaak gekozen voor prefab elementen van beton of natuursteen. Belgische hardsteen is hierbij de standaard. Het is vorstbestendig. Slijtvast. Dergelijke massieve blokken minimaliseren het aantal voegen, wat de kans op inwatering drastisch verkleint. Bij moderne utiliteitsbouw zien we vaker de metalen variant, veelal uitgevoerd in geanodiseerd aluminium of plastisol. Deze lichte profielen worden meestal aangeduid als waterslagen en functioneren mechanisch hetzelfde, maar missen de thermische massa en esthetische robuustheid van steenachtige materialen.
De terminologie rondom afzaten kan verwarrend zijn omdat de locatie de naam bepaalt. Bevindt het schuine vlak zich direct onder een raamkozijn? Dan spreken we meestal van een raamdorpel of waterslag. Een afzaat op een steunbeer of een verspringing in het muurwerk wordt vaak simpelweg een 'versnijding' genoemd. Het onderscheid met een waterlijst is subtiel maar wezenlijk; de waterlijst is de horizontale band die uit de gevel steekt, terwijl de afzaat specifiek het schuine, waterafvoerende bovenvlak van die lijst betreft. Soms is de afzaat uitgevoerd als een ezelsrug. Dit is een tweezijdig aflopende afdekking op een vrijstaande muur. Geen vlakke plaat, maar een zadeldakvorm die het water naar beide zijden dwingt. De keuze voor de variant hangt nauw samen met de architectonische stijl en de te verwachte waterbelasting op de gevelsectie.
In de dagelijkse bouwpraktijk is de afzaat overal aanwezig, vaak onopvallend maar technisch onmisbaar. Neem een klassieke raamdorpel onder een houten kozijn. De stenen liggen hier in een rollaag, stevig onder een hoek gemetseld. Het water dat van de ruit stroomt, krijgt door deze schuinte direct snelheid. Het wordt letterlijk van de gevel weggeduwd. Zonder deze afzaat zou het vocht zich ophopen in de aansluiting met het kozijn, met rottend hout tot gevolg.
Bij kerken of kasteelmuren zie je de afzaat terug bij steunberen die trapsgewijs smaller worden. Elke verspringing heeft daar een schuin vlak van hardsteen. Dit is de afzaat van de versnijding. Het water blijft niet op de dikke muurdelen staan. Het stroomt direct door naar beneden. Zo blijft het massieve metselwerk van de steunbeer gespaard van verzadiging en de onvermijdelijke schade door bevriezing in de wintermaanden.
Denk ook aan een eenvoudige tuinmuur die is afgewerkt met een ezelsrug. De bovenkant heeft de vorm van een zadeldak. Twee schuine vlakken. Dit zijn functionele afzaten die het water naar beide kanten verdelen. Geen plassen bovenop de muur. Geen mosgroei. Het is een simpele oplossing om de levensduur van de muur met tientallen jaren te verlengen door simpelweg de zwaartekracht het werk te laten doen.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) schrijft voor dat een gebouw beschermd moet zijn tegen vocht van buitenaf. Dit is geen vrijblijvend advies. De constructie moet simpelweg waterdicht zijn om gezondheidsklachten door schimmels of structurele schade te voorkomen. Een afzaat is in deze context een essentieel bouwdeel. Het realiseert de vereiste afwatering van horizontale vlakken. Zonder dergelijke detaillering kan een gevel niet voldoen aan de prestatie-eisen die de wet stelt aan de wering van vocht. Het water moet weg. Direct.
Bij het ontwerp en de uitvoering van afzaten in metselwerk vormt de NEN-EN 1996-reeks, ook wel Eurocode 6 genoemd, de technische leidraad. Deze normen behandelen de duurzaamheid van metselwerkconstructies. Specifiek wordt er gekeken naar de blootstellingsklassen. Een afzaat voorkomt dat stenen verzadigd raken in zones die gevoelig zijn voor vorst en dooi. CUR-aanbevelingen vullen deze normen aan met praktische richtlijnen voor de diepte van het waterhol en de minimale hellingshoek. Een overstek van 30 tot 50 millimeter is hierbij de normatieve ondergrens. Het is een samenspel tussen wet en techniek.
De uitvoering van raamdorpels en waterslagen is onderworpen aan strenge kwaliteitsnormen. NEN 2770 biedt methodieken om de waterdichtheid van gevels te beoordelen. Bij prefab betonnen afzaten of natuursteen elementen wordt vaak verwezen naar de BRL (Beoordelingsrichtlijn) voor deze specifieke producten. Hierin staan de toleranties voor maatafwijkingen en de minimale eisen voor wateropname van het materiaal. Het doel? Een voorspelbare afwatering. Slechte detaillering leidt tot juridische aansprakelijkheid bij lekkages of versnelde degradatie van het gevelvlak. De regelgeving dwingt precisie af bij de aansluiting tussen de afzaat en de achterliggende constructie.
De noodzaak van de afzaat is zo oud als het bouwen in steen zelf. In de middeleeuwse architectuur, vooral bij de opkomst van de gotiek, werd het principe essentieel. Kerken kregen massieve steunberen die trapsgewijs naar boven toe smaller werden. Elke verspringing vormde een horizontaal vlak. Een zwakke plek. Zonder afzaat zoog het metselwerk zich vol met regenwater. Vorst deed de rest. Men hakte daarom schuine vlakken in de natuurstenen dekstukken om het water direct naar buiten te dwingen. Dit was puur overlevingsinstinct voor het gebouw. Geen franje, maar bittere noodzaak.
Met de opkomst van de baksteenarchitectuur in de Nederlanden evolueerde de afzaat naar de rollaag. Ambachtelijk gemetseld. De techniek werd toegankelijker. Waar voorheen kostbare natuursteen nodig was, boden schuin geplaatste klinkers nu de oplossing voor woonhuizen en pakhuizen. De 19e-eeuwse neostijlen brachten een herwaardering voor het profielwerk. De afzaat werd gecombineerd met waterlijsten en overstekken die steeds complexer werden. Men begon in die tijd ook met het gieten van cementsteen. Dit was de voorloper van onze moderne prefab betonnen raamdorpels. Het proces werd gestandaardiseerd. Massaproductie deed zijn intrede.
In de twintigste eeuw verschoof de focus van massa naar montage. De introductie van metalen waterslagen in de naoorlogse bouw markeerde een breuk met de steenachtige traditie. Aluminium en zink vervingen vaak de zware natuursteen. De functie bleef onveranderd. De detaillering werd echter scherper en dunner. Tegenwoordig kijken we met moderne ogen naar de afzaat via complexe regelgeving en bouwfysica, maar de kern van de techniek blijft geworteld in die vroege strijd tegen inwatering en verval van de gevel.