De realisatie van een aedicula start bij de exacte maatvoering van de centrale uitsparing of nis. De as is leidend. Men begint met het aanbrengen van de verticale steunpunten aan weerszijden van de opening. Dit kunnen pilasters zijn die tegen de wand aanliggen of vrijstaande zuilen die op eigen basementen rusten. De verankering in het achterliggende metselwerk geschiedt vaak door middel van krammen of doken. Stabiliteit is essentieel voor de zware overspanning. Bovenop de kapitelen van deze zuilen wordt het hoofdgestel geplaatst. Dit horizontale deel bestaat uit de architraaf, een fries en de uitkragende kroonlijst. De constructie vormt een visuele onderbreking van de gevelwand.
De bekroning vindt plaats door de montage van een fronton. Driehoekig. Soms segmentvormig of doorbroken. Het samenspel tussen de losse onderdelen creëert de suggestie van een zelfstandig bouwwerkje binnen de grotere architectonische context. Vaak worden natuurstenen blokken toegepast die in de baksteenwand worden ingetand voor een solide verbinding. De dieptewerking ontstaat door de bewuste verspringing van de diverse profileringen ten opzichte van het gevelvlak. Steenhouwers bereiden de profielen voor in de werkplaats. Ter plekke vindt de assemblage plaats. Mortelvoegen blijven dun om de illusie van een monolithisch geheel te versterken.
Typische handelingen bij de opbouw:
Het resultaat is een architectonische omlijsting die de overgang van platte wand naar driedimensionaal ornament faciliteert. Schaduwwerking door de uitkragende kroonlijsten is hierbij een bepalend visueel effect.
De aedicula manifesteert zich in diverse gedaanten, waarbij vooral de bekroning het karakter bepaalt. Men onderscheidt primair het type met een driehoekig fronton. Strak. Klassiek. Hiernaast staat het segmentfronton, herkenbaar aan de boogvormige bovenzijde die vaak een zachter ritme aan de gevel geeft. In het maniërisme en de barok zien we de variant met het doorbroken fronton. De bovenzijde is hierbij 'opengebroken', wat ruimte biedt voor een extra ornament zoals een wapenschild, een buste of een siervaas.
Niet alleen de bovenbouw varieert. De verticale dragers bepalen de dieptewerking. De pilaster-aedicula is de meest vlakke variant. De pilasters zijn immers platte wandpijlers. Bij de driekwartzuil of de vrijstaande zuil ontstaat een veel krachtigere schaduwwerking en een sterker reliëf. Soms rusten de zuilen niet op de grond, maar op consoles of een verhoogd voetstuk. Dit wordt een hangende aedicula genoemd. Een typisch element in de Nederlandse renaissance waarbij de omlijsting als het ware tegen de gevel 'geplakt' lijkt.
De aedicula wordt regelmatig verward met verwante architectonische elementen. Een tabernakel bijvoorbeeld. Hoewel een tabernakel vaak de vorm van een aedicula aanneemt, dient deze in religieuze context specifiek als bewaarplaats voor de hostie. De aedicula is het frame, de tabernakel de functie. Ook het onderscheid met een simpele nis is cruciaal. Een nis is slechts een holte in de muur. De aedicula is de architectonische omlijsting die die holte structureert en verheft.
In de grafarchitectuur spreekt men soms van een aedicula-monument. Hierbij is de vorm niet langer een omlijsting van een opening, maar een vrijstaand object. Een miniatuurtempel over een graf. Het fungeert dan als een symbolisch huis voor de overledene. In interieurs vindt men de term terug bij schoorsteenmantels die volgens hetzelfde principe zijn opgebouwd: zijstijlen, een hoofdgestel en een bekroning. Een architectonisch sieraad dat de platte wand doorbreekt.
Kijk naar de bovenste vensters van een Amsterdams grachtenpand uit de zeventiende eeuw. De gevel is van baksteen, maar rondom het raam zie je zandstenen elementen. Twee pilasters met cannelures staan links en rechts. Daarbovenop rust een gebogen fronton dat een stukje uitsteekt. Het venster lijkt hierdoor groter en statiger. De schaduw die de kroonlijst op het raam werpt, geeft de gevel een diepte die er zonder deze omlijsting niet zou zijn.
In de zijbeuk van een oude kerk tref je vaak een Maria-altaar aan. Het beeld staat niet los tegen de wand. Het is gevat in een marmeren aedicula. Twee vrijstaande zuilen van groen marmer dragen een driehoekige bekroning. De nis wordt zo een eigen, heilige ruimte binnen het grotere gebouw. Het is een tempel in het klein. Een frame dat de aandacht dwingt naar wat er binnenin staat.
Een ander herkenbaar voorbeeld is de klassieke schoorsteenmantel in een achttiende-eeuwse stijlkamer. De haardopening wordt geflankeerd door stenen of houten stijlen in de vorm van zuilen. Daarboven vind je een zwaar hoofdgestel dat als schoorsteenbord dient. Soms wordt de spiegel daarboven weer omlijst door een tweede, lichtere aedicula-vorm. Het herhaalt de architectuur van de buitenkant in het interieur.
Op begraafplaatsen zoals Zorgvlied zie je het element terug bij monumentale graven. Een grafsteen die niet alleen een platte plaat is, maar een compleet bouwwerkje. De overledene lijkt te rusten in de opening van een klassiek tempeltje. Hier zie je vaak de 'hangende' variant waarbij de zuiltjes rusten op rijk versierde kraagstenen in plaats van op de grond. Het geeft het monument een verticale impuls en een plechtig karakter.
De aedicula is vaak onlosmakelijk verbonden met monumentaal erfgoed. Wanneer dit element onderdeel uitmaakt van een rijksmonument of een gemeentelijk monument, geldt de Erfgoedwet als het primaire wettelijke kader. Wijzigingen aan de uiterlijke verschijningsvorm zijn verboden zonder omgevingsvergunning voor een monumentenactiviteit. Het behoud van oorspronkelijk materiaalgebruik staat centraal. Restauratie moet vaak voldoen aan de uitvoeringsrichtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Geen vergunning, geen ingreep. De overheid ziet streng toe op het behoud van deze architectonische detaillering.
Veiligheid is een dwingende voorwaarde bij uitkragende constructies. Onder het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) draagt de eigenaar van een gebouw een zorgplicht voor de staat van de gevel. Zware frontons en kroonlijsten mogen geen gevaar vormen voor voorbijgangers. Bij herstelwerkzaamheden aan natuurstenen elementen dient de constructieve veiligheid geborgd te zijn conform de relevante Eurocodes, met name NEN-EN 1991 voor belastingen en NEN-EN 1996 voor constructies van metselwerk. Verankeringen met corrosiebestendige doken zijn hierbij vaak technisch noodzakelijk om aan de duurzaamheidseisen te voldoen. De technische staat van de verankering is cruciaal bij inspecties. Een loszittend kapiteel kan immers fatale gevolgen hebben. Bij nieuwbouw in historiserende stijl moet de aedicula bovendien getoetst worden aan lokale welstandsnota's die de esthetische inpassing in het straatbeeld reguleren.
Het begon klein. Letterlijk als een verkleind woonhuis voor de Lares, de Romeinse beschermgoden van het huishouden. Deze vroege aediculae fungeerden als tastbare schrijnen binnen het atrium. De vorm was strikt functioneel voor de rituele praktijk. Pas in de Romeinse keizertijd versmolt dit losstaande object met de monumentale wandarchitectuur van theaters en thermen. De transitie van vrijstaand bouwwerk naar geveldecoratie was hiermee een feit. Het werd een architectonisch frame. Een middel om hiërarchie aan te brengen in een anders eentonige muur.
Tijdens de middeleeuwen versmalde de toepassing zich tot de religieuze sfeer. Heiligenbeelden in kathedralen kregen hun eigen architecturale overkapping. Vaak gotisch van vorm. Veel spitsbogen en pinakels. De renaissance markeerde echter het cruciale omslagpunt voor de moderne bouwkunst. Architecten zoals Palladio en Serlio bestudeerden de antieke resten en systematiseerden de aedicula tot een universeel toepasbaar element. Het werd onderdeel van de architecturale grammatica. Vensters kregen plotseling de status van tempelfronten.
In de Noordelijke Nederlanden nam de ontwikkeling in de zestiende eeuw een vlucht door de verspreiding van ornamentprenten. Hans Vredeman de Vries speelde hierbij een sleutelrol. Zijn ontwerpen boden lokale metselaars en steenhouwers de handvatten om de klassieke orders te interpreteren. Hier ontstond de typische Hollandse variatie. De hangende aedicula. Geen zware zuilen die de grond raken, maar sierlijke pilasters die rusten op consoles. In de barok volgde de dynamisering van de vorm. Frontons werden opengebroken. De strakke lijnen maakten plaats voor een spel van licht en schaduw dat tot diep in de negentiende eeuw, tijdens de diverse neostijlen, de toon zou zetten in de stedelijke architectuur.