De constructieve opbouw van een achtergevel begint bij de funderingsslag, waarbij de aansluiting op het maaiveld kritisch is voor de waterhuishouding. Men trekt eerst het binnenblad op. Dit draagt de verdiepingsvloeren en het dak. Nadat de dragende wanden staan, volgt de montage van de isolatieschil. Deze wordt met spouwankers vastgezet, die tevens fungeren als verbinding met het latere buitenblad. In de achtergevel zijn vaak grote overspanningen aanwezig voor puien of openslaande deuren.
p>Stalen lateien of geveldragers vangen de belasting van het bovenliggende metselwerk op. Dit is precisiewerk. De positionering van deze dragers luistert nauw om doorbuiging en scheurvorming in de gevel te voorkomen. Terwijl de ruwbouw vordert, plaatst men de stelkozijnen in de sparingen. Deze kaders dienen als referentiepunt voor de metselaar of de monteur van gevelbeplating. De waterdichting wordt gewaarborgd door het aanbrengen van DPC-folies of slabben bij de dorpels en lateien, waardoor indringend vocht naar buiten wordt afgevoerd.
Het buitenblad wordt vervolgens opgetrokken. Bij metselwerk gebeurt dit in verband, waarbij open stootvoegen aan de onder- en bovenzijde zorg dragen voor de noodzakelijke spouwventilatie. Bij renovaties of uitbouwen ziet men vaak een andere werkwijze. Men verwijdert de bestaande achtergevel terwijl stempels de bovenliggende massa tijdelijk opvangen. Pas na het plaatsen van een stalen portaal kan de nieuwe gevelindeling worden gerealiseerd. De afsluiting van het proces bestaat uit het afvoegen van de stenen en het luchtdicht afdichten van de naden tussen het kozijn en de constructie met compriband of kit. Zo ontstaat een gesloten thermische schil die de woning beschermt tegen weersinvloeden.
Niet elke achterzijde van een pand is identiek. De tuingevel is de meest voorkomende variant in de woningbouw. Hierbij ligt de nadruk op de visuele en fysieke relatie met de achtertuin. Vaak is de architectuur hier minder formeel dan aan de straatzijde. Een schril contrast vormt de blinde achtergevel. Deze komt voor bij magazijnen of panden die direct tegen een andere perceelsgrens zijn gebouwd. Geen ramen. Geen deuren. Enkel een dichte massa, vaak ingegeven door brandveiligheid of privacy van omwonenden.
In stedelijke context zien we vaak de inspringende achtergevel. Hierbij wijkt een deel van het gevelvlak terug om ruimte te maken voor een dakterras of balkon. Dit creëert een complexe detaillering wat betreft waterafvoer en isolatiedoorgang. Een transparante achtergevel bestaat nagenoeg volledig uit glas en slanke profielen. Dit type, vaak gerealiseerd met structurele beglazing of grote vouwwanden, vervaagt de grens tussen binnen en buiten volledig. Het vereist extra aandacht voor de stijfheid van de totale constructie.
De brandwerende achtergevel is een noodzakelijke variant wanneer de afstand tot de perceelsgrens gering is. De regelgeving omtrent de Weerstand tegen Branddoorslag en Brandoverslag (WBDBO) dwingt hier vaak tot beperkingen in het glasoppervlak of het gebruik van brandvertragend glas en specifieke kozijnvullingen. Soms is de achtergevel uitgevoerd als een gevelvullend element. Dit betekent dat het metselwerk ontbreekt en wordt vervangen door prefab houtskeletbouw-elementen (HSB) of sandwichpanelen. Snel gemonteerd. Lichtgewicht.
Er bestaat weleens verwarring met de kopgevel. Een kopgevel bevindt zich aan het uiteinde van een blok woningen en is meestal raamloos, terwijl de achtergevel de gehele breedte van de woning aan de achterzijde beslaat. Bij een uitbouw of serre verandert de status van de oorspronkelijke achtergevel. Deze wordt dan technisch gezien een binnenmuur, waarbij de nieuwe gevel van de aanbouw de functie van de thermische schil overneemt. De fundering van de nieuwe schil moet dan naadloos aansluiten op de bestaande structuur om zettingsverschillen te voorkomen.
In een naoorlogse doorzonwoning ondergaat de achtergevel vaak de grootste transformatie. Het oorspronkelijke metselwerk onder het keukenraam en de smalle achterdeur maken plaats voor een woningbrede kunststof of aluminium schuifpui. Hierdoor verandert de gevel van een gesloten barrière in een transparante verbinding met de tuin. De constructieve uitdaging zit hier in de latei; een stalen balk vangt het gewicht van de bovenliggende verdiepingsvloer op.
Bij de realisatie van een aanbouw verschuift de functie van de achtergevel volledig. De oorspronkelijke buitenmuur wordt doorgebroken en fungeert na de verbouwing als binnenmuur of doorgang. De nieuwe achtergevel van de aanbouw neemt de rol van thermische schil over. Dit vereist een vakkundige aansluiting van de nieuwe isolatielaag op de bestaande zijgevels om koudebruggen te voorkomen.
Stedelijke inbreiding vraagt om een andere benadering. Stel je een smal perceel voor waarbij de achtergevel direct grenst aan een brandgang of het erf van de buren. Vanwege de geringe afstand tot de perceelsgrens wordt hier vaak gekozen voor een brandwerende uitvoering. Dit betekent geen openslaande ramen, maar vast glas met een hoge WBDBO-waarde en een kozijnprofiel dat bij hitte zijn vorm behoudt.
In de utiliteitsbouw, zoals bij een distributiecentrum, is de achtergevel vaak puur functioneel. Geen bakstenen, maar sandwichpanelen bepalen het beeld. De gevel wordt onderbroken door een reeks dockshelters waar vrachtwagens achteruit tegenaan parkeren. De aansluiting tussen de overheaddeur en het gevelpaneel is hierbij cruciaal voor de luchtdichtheid van het magazijn.
Historisch bezien was de achtergevel louter functioneel. Een noodzakelijk sluitstuk van de bouwmassa. Waar de voorgevel aan de straatzijde met ornamenten en dure baksteen de status van de bewoner etaleerde, bleef de achterzijde sober, vaak opgetrokken uit goedkopere materialen en restpartijen. De 'stinkzijde' van het pand. Hier bevonden zich de privaten, de kolenhokken en de achteruitgangen naar de bleekvelden. Geen esthetiek, maar pure noodzaak. De negentiende-eeuwse revolutie bracht verandering door de enorme urbanisatie. Dit dwong tot diepe, smalle panden waarbij de achtergevels de wanden van benauwde, donkere binnenplaatsen vormden.
Pas met de opkomst van de 'Licht en Lucht'-beweging aan het begin van de twintigste eeuw verschoof het paradigma binnen de stedenbouw. Ramen werden groter. Gezondheid werd een bouwsteen. De introductie van de doorzonwoning na 1945 markeert het definitieve breekpunt in de gevelhiërarchie. De achtergevel opende zich volledig voor de zon. Grote glaspartijen vervingen de kleine vensters van de sobere kookvertrekken. Constructief betekende dit een ingrijpende verschuiving; van dragende, massieve muren naar gesegmenteerde vlakken die afhankelijk werden van zware lateien en complexe staalconstructies om de grotere openingen te overbruggen.
Vanaf de jaren zeventig dwong de energiecrisis tot een technische transformatie van de schil. De spouwmuur werd de norm, de isolatie-eisen werden per decennium strenger. De achtergevel veranderde van een eenvoudige stenen scheiding in een hoogwaardige thermische barrière. Vandaag de dag is de achtergevel vaak de meest transparante zijde van een woning. De grens tussen tuin en interieur is nagenoeg opgeheven door de opkomst van de schuifpui en de moderne woonkeuken. Een private façade die vaker wordt aangepast en geüpdatet dan de vaak beschermde voorgevel.