De realisatie vangt aan bij de exacte uitzetting van de geometrie op de funderingsplaat. Men trekt de gebogen of veelhoekige muren op als een integraal onderdeel van de hoofdstructuur van het transept of de kooromgang, waarbij de aansluiting op de rechte wanden vraagt om specifiek metselverband. Vensteropeningen worden tijdens de ruwbouwfase direct in het volume opgenomen. Het gaat hierbij vaak om diepe nissen. Zodra de wanden de voorgeschreven hoogte bereiken, volgt de constructie van de gewelfschelp. Bij halfronde vormen is dit een concha, terwijl veelhoekige vormen vaak een ribgewelf krijgen dat de krachten naar de hoekpunten afvoert. De buitenzijde wordt afgewerkt met een zelfstandige kapconstructie. Meestal betreft dit een kegeldak of een tentdak, afgedekt met leien of metalen bekleding om de kromming te volgen.
Bij het bouwen van een absidiool zijn verschillende handelingen typerend voor het proces:
In de architectuurgeschiedenis manifesteert de absidiool zich hoofdzakelijk in twee gedaantes: de halfronde en de veelhoekige variant. De keuze is zelden willekeurig. Romaanse bouwmeesters hanteerden bij voorkeur de vloeiende, halfronde beëindiging. Dit type wordt vaak geassocieerd met de concha, de typische schelpvormige overwelving van de nis. De gotiek breekt de cirkel echter op in segmenten. Hier domineert de polygonale absidiool, meestal vijf- of zevenzijdig uitgevoerd, waardoor grotere vensterpartijen tussen de constructieve hoekpunten mogelijk werden.
Naast de geometrie bepaalt de positionering de specifieke benaming. Men maakt in de praktijk onderscheid tussen verschillende functies:
Het onderscheid met de centrale apsis is strikt hiërarchisch. De absidiool is altijd de kleinere, ondergeschikte nazaat. Hoewel termen als zijkapel of apsiskapel als synoniemen fungeren, duidt de term absidiool specifiek op de bouwkundige verschijningsvorm als fysieke uitbouw. Een nis die enkel in het interieur zichtbaar is en niet naar buiten uitstulpt, voldoet formeel niet aan deze definitie. De constructieve uitdaging bij de veelhoekige variant ligt vooral in de overgang van de rechte gevelvlakken naar de kapconstructie, waarbij de hoekkepers exact op de onderliggende steunpunten moeten rusten.
Stel je een wandeling voor langs de kooromgang van de Sint-Jan in Den Bosch. Je ziet daar de karakteristieke kapellenkrans. Het zijn die herkenbare, halfronde 'bulten' die uit de hoofdstructuur steken. Dat zijn de absidiolen. Binnenin vormen ze intieme nissen voor zijaltaren. Een priester leest daar een vroege mis terwijl het schip van de kerk nog leeg is. De ruimte is klein. De akoestiek is er directer dan onder de hoge gewelven van het middenschip.
In een romaanse dorpskerk tref je ze vaak aan de oostzijde van het transept. Ze ogen daar massiever. Geen grote ramen. Slechts een smalle lichtspleet die de concha subtiel verlicht. Tijdens een restauratieproject herken je de absidiool direct aan de fundering. Die ligt vaak los van de hoofdbeuk. De metselaar moet hier een lastige boog volgen. De aansluiting van de dakleien op het kegeldak is een secuur werkje. Eén foutje en de regen slaat naar binnen op de plek waar de ronde kap de rechte muur raakt.
Behoud gaat voor vernieuwing. Dat is de kern van de Erfgoedwet wanneer we kijken naar de absidiool. Omdat deze kapellen bijna altijd deel uitmaken van beschermde monumenten, is de Omgevingswet het vigerende kader voor elke fysieke ingreep. Een omgevingsvergunning voor een monumentenactiviteit is noodzakelijk. Zelfs voor herstel van de dakconstructie of het voegwerk. Vakmensen hanteren de uitvoeringsrichtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Geen concessies aan de historische substantie. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ziet erop toe dat de architectonische integriteit van de koorpartij gewaarborgd blijft bij restauratieprojecten.
De specifieke regelgeving richt zich op:
Documentatie is verplicht. Bij elke ingreep moet de historische gelaagdheid van de nis in kaart worden gebracht. Dit voorkomt dat latere toevoegingen, zoals neogotische aanpassingen aan een romaanse absidiool, onbedoeld worden vernietigd zonder gedegen bouwhistorisch onderzoek.
De wortels van de absidiool liggen in de Romeinse civiele architectuur. Exedrae boden daar al ruimte aan beelden of hoogwaardigheidsbekleders. De vroege christelijke kerkbouw nam dit vormprincipe over. In eerste instantie beperkte de ruimte zich tot één centrale apsis. Pas later splitste dit volume zich op. Kleinere nissen verschenen aan de uiteinden van zijbeuken. Een functionele noodzaak. Meer heiligenverering betekende immers een grotere behoefte aan nevenaltaren.
De elfde eeuw bracht de definitieve doorbraak. Pelgrimskerken groeiden exponentieel. Men zocht naar een manier om relikwieën te tonen zonder de hoofdstroom van gelovigen in het koor te hinderen. De absidiool werd een standaardonderdeel van de romaanse bouwkunst. Massief metselwerk domineerde deze fase. Kleine openingen. Dikke muren waren essentieel om de enorme druk van de stenen concha op te vangen. Het was puur constructieve logica toegepast op liturgische expansie.
De gotiek veranderde de spelregels volledig. Muren verdwenen. Glas kwam terug. De absidiool transformeerde van een gesloten, zware nis naar een lichte, veelhoekige kapel. De brede toepassing van het ribgewelf maakte dit mogelijk. Krachten werden doelgericht naar de hoekpunten geleid. Hierdoor konden de tussenliggende vlakken bijna volledig uit venstertraceringen bestaan. De kapellenkrans werd een technisch hoogstandje van herhaalde geometrie waarbij de constructie steeds ijler werd. Na de middeleeuwen stagneerde de actieve ontwikkeling van de absidiool, totdat de negentiende-eeuwse neogotiek de vorm herontdekte als historiserend element. Vandaag de dag ligt de focus binnen de bouwsector vooral op de consolidatie van deze kwetsbare aansluitingen tussen de uitspringende kapel en het hoofdvolume.