De aansluiting bepaalt de uiteindelijke dichtheid. Bij het aanwerken van kozijnen wordt de resterende ruimte tussen de ruwbouwconstructie en het gevelelement volledig gedicht, waarbij men vaak eerst isolatiemateriaal aanbrengt voordat de esthetische afwerking volgt. Metselwerk stopt nooit zomaar bij een opening. Stenen worden exact op maat gehakt of geslepen om de neggekant zuiver te sluiten, een proces waarbij de metselaar de mortelvoegen laat doorlopen tot tegen het kader.
De overgang van het ene materiaal naar het andere moet naadloos overvloeien om koudebruggen te voorkomen.
Bij grondwerk rondom de fundering verloopt het proces anders. Men vult de ruimte rond kelderwanden of poeren aan met schoon zand of de oorspronkelijk uitgekomen grond, waarbij mechanische verdichting in dunne lagen essentieel is voor een stabiel resultaat. Het maaiveld wordt hierbij op het exacte peil gebracht zoals vastgelegd in de werktekeningen. Aanwerken op hoogte gebeurt specifiek bij dakaansluitingen. Hier worden slabben van lood of loodvervangers diep in de voegen van het opgaande metselwerk gedreven, waarna de voeg weer wordt hersteld met specie. Geen kieren. De vakman zorgt dat alle openstaande details rondom dakdoorvoeren en aansluitingen van verschillende bouwdelen worden 'dichtgezet' zodat de gebouwschil gesloten is.
In de dagelijkse praktijk vormt het aanwerken van kozijnen de meest voorkomende variant. Dit proces splitst zich vaak in twee fasen: de technische dichtzetting en de visuele afwerking. Waar de timmerman zich richt op de luchtdichtheid door middel van compriband of pur, focust de stukadoor of metselaar op de aansluiting van de dagkanten. Het verschil met simpelweg 'afdichten' zit in de integratie; het element moet onderdeel worden van het vlak. Bij monumentale panden wordt dit vaak nog met kalkmortel gedaan, terwijl in de nieuwbouw kunststof profielen of kitvoegen de standaard vormen.
Een specifieke discipline is het aanwerken van dakbedekking en loodslabben tegen opgaand metselwerk. Hierbij is de term bijna synoniem aan het waterdicht insluiten. Men drijft het lood diep in een vooraf uitgekapte of geslepen voeg. Het aanwerken behelst hier ook het naderhand weer opvoegen van deze naad. Wordt dit slordig gedaan? Dan faalt de waterkering bij de eerste de beste slagregen. Het onderscheidt zich van regulier voegwerk door de mechanische spanning die op de verbinding staat.
Buiten de gevelmuren verandert de definitie. Aanwerken van grond wordt vaak verward met 'aanvullen', maar de verschillen zijn cruciaal voor de stabiliteit. Aanvullen is het simpelweg storten van grond in een ontgraving. Aanwerken is precisiewerk. Het betreft het op het juiste peil brengen van de bodem direct tegen de gevel of fundering, inclusief de noodzakelijke verdichting en het creëren van een afschot voor de waterhuishouding. Een slecht aangewerkt maaiveld leidt tot plasvorming tegen de gevel of, erger nog, verzakkingen van het omliggende straatwerk. Het is de overgang van de harde constructie naar de zachte bodem.
Binnenshuis is aanwerken vooral een esthetische exercitie met een technisch randje. Denk aan het aanstucen tegen bestaande ornamenten, plinten of kozijnstijlen. De vakman brengt de mortel aan tot op de grens van het andere materiaal. Vaak wordt hierbij een 'stucstop' of een dilitatieprofiel gebruikt om krimpscheuren op de overgang te voorkomen. Het gaat hier niet om het vullen van een gat, maar om het creëren van een strakke, visuele eenheid tussen twee verschillende materialen.
Kijk naar het maaiveld na de ruwbouw. De fundering steekt boven de ontgraving uit. De grondwerker vult de ruimte rondom de kelderwanden met schoon zand. Hij doet dit niet in één keer, maar in dunne lagen die hij mechanisch verdicht totdat het zand precies de onderkant van de gevelsteen raakt. Het terrein ligt weer op peil.
Bij een dakkapel zie je het vaak bij de zijwangen. De pannen worden niet zomaar neergelegd; de aansluiting met de opstaande wand wordt waterdicht gemaakt door het aanwerken van loodvervangers of zijwangen. Geen geklungel met kit, maar een constructieve sluiting. Het gaat om die laatste centimeters waar de ruwbouw stopt en de afwerking begint.
Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) stelt strikte grenswaarden aan de energieprestatie van gebouwen. Kieren zijn hierbij uit den boze. Het aanwerken van kozijnaansluitingen en dakdoorvoeren is direct gekoppeld aan de eisen voor luchtdoorlatendheid zoals vastgelegd in NEN 2687. Zonder deugdelijke afdichting wordt de BENG-score (Bijna Energieneutrale Gebouwen) negatief beïnvloed door ongewenste infiltratie van buitenlucht. Een naadloze overgang is geen luxe maar een wettelijke noodzaak voor een gezonde exploitatie van het gebouw.
Water mag niet binnendringen. De bepalingen in NEN 2778 geven de methodiek aan om de waterdichtheid van de gebouwschil te toetsen. Bij het aanwerken van loodslabben of het afvoegen van geveldetails moet de constructie bestand zijn tegen de gestelde winddruk en regenbelasting. Faalt de aansluiting? Dan voldoet het bouwwerk niet aan de fundamentele eisen van het BBL met betrekking tot de bescherming tegen vocht van buitenaf.
Buiten de gevellijn gelden andere regels. Het aanwerken van grond tegen funderingen en kelderwanden raakt aan de stabiliteitseisen uit NEN-EN 1997 (Eurocode 7). De bodem moet zodanig worden aangevuld en verdicht dat er geen onaanvaardbare zettingen optreden in de omliggende infrastructuur of het maaiveld.
De vakman dient bij de uitvoering ook de Arbowetgeving in acht te nemen, zeker bij aanwerkzaamheden op hoogte of in diepe ontgravingen. Veiligheid en techniek gaan hier hand in hand.
Vroeger was aanwerken een kwestie van visuele sluiting. Kalkmortel was de standaard. Men vulde kieren rondom kozijnen simpelweg op om tocht en ongedierte te weren, waarbij de focus lag op het uiterlijk van het metselwerk en minder op de thermische prestatie. Ambacht pur sang. De metselaar hakte stenen passend op het oog. Met de opkomst van de industriële bouwproductie en gestandaardiseerde maatvoering in de wederopbouwperiode veranderde de methodiek; toleranties werden kleiner en de noodzaak voor een strakke aansluiting nam toe.
De oliecrisis in de jaren zeventig markeerde een kantelpunt. Energieverlies werd een vijand. Aanwerken verschoof van een esthetische handeling naar een bouwfysische noodzaak, waarbij nieuwe materialen zoals PUR-schuim en kit de traditionele kalkmortel in de aansluitingen deels verdrongen. Waar men voorheen kieren dichtstopte met vilt of krantenpapier, introduceerde de sector compriband en specialistische folies. Een technisch specialisme ontstond. De regelgeving volgde deze praktijkontwikkeling op de voet, wat resulteerde in de huidige strenge NEN-normen voor luchtdoorlatendheid.
In het grondwerk onderging de discipline een vergelijkbare professionalisering. Van handmatig aanvullen met de schop naar machinale verdichting in voorgeschreven lagen. De introductie van de Eurocodes en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) tilde aanwerken uit de sfeer van 'het laatste restje werk'. Het is nu een gedocumenteerd onderdeel van de gebouwschil. Geen improvisatie meer op de bouwplaats, maar uitvoering op basis van gedetailleerde werktekeningen en vooraf bepaalde prestatie-eisen.