De inzet van de aanwasboor begint met de positionering van de snijkop op de gewenste meetlocatie. Directe handmatige rotatie dwingt de holle beitel door de taaie houtstructuur. Dit vereist kracht. Een constante, voorwaartse druk is noodzakelijk om een zuivere kern te snijden zonder de houtvezels te verpletteren. Terwijl de boor dieper in de stam of balk verdwijnt, wordt een cilindrisch monster in de schacht opgesloten. Het bereiken van de kern of de overzijde is het doel. Dan schuift een dunne metalen extractor, ook wel de lepel genoemd, via de holle binnenzijde langs de boorkern.
Een korte rotatie in tegengestelde richting breekt de verbinding tussen de kern en het resterende houtweefsel. De extractor klemt het monster vast, waarna de kern voorzichtig naar buiten wordt getrokken. Het resultaat is een tastbare dwarsdoorsnede. Hierbij blijft de boor zelf vaak nog even in het hout zitten om beschadiging van het monster bij extractie te voorkomen. De nauwkeurigheid van het verkregen beeld valt of staat met de scherpte van de boorkop en de stabiliteit van de gebruiker tijdens de eerste omwentelingen. Soms weigert de grip; dan wordt de boor opnieuw aangezet om de kern alsnog los te trekken.
De schroefdraad aan de punt bepaalt de beet. Men kiest doorgaans tussen varianten met twee of drie gangen schroefdraad. De tweegangige versie biedt minder weerstand in harde loofhoutsoorten zoals eiken of tropisch hardhout. Minder wrijving betekent minder warmteontwikkeling. De driegangige variant grijpt daarentegen sneller aan in zachter naaldhout, wat de voortgang versnelt. Voor zeer oude, versteende of extreem droge balken is de tweegangige boor vaak de enige veilige optie om breuk van het staal te voorkomen. Materiaalmoeheid loert altijd.
Standaardmaten domineren de markt. De meest gangbare kernborendiameters zijn 4,3 mm en 5,15 mm, waarbij die laatste vaak de voorkeur geniet voor biologisch onderzoek omdat de jaarringen beter leesbaar blijven onder de microscoop. Grotere diameters bestaan. Voor mechanische beproevingen waarbij grotere monsters nodig zijn, worden soms boren van 10 mm of 12 mm ingezet, al tast dit de integriteit van de constructie zwaarder aan. Teflon is hierbij een cruciale toevoeging. Een zwarte of blauwe Teflon-coating op de schacht vermindert de wrijving met het omringende hout aanzienlijk, waardoor de boor minder snel vastloopt in harsrijk hout.
Presler-boor. Zo staat het instrument in vakkringen ook wel bekend, vernoemd naar de bosbouwkundige die de methode perfectioneerde. Hoewel de term aanwasboor universeel is, schept het soms verwarring met de resistograaf. Een wezenlijk verschil. Waar de aanwasboor een fysiek monster — de houtkern — onttrekt, meet een resistograaf enkel de boorweerstand met een dunne naald zonder een kern te leveren. Voor dendrochronologisch onderzoek is enkel de aanwasboor geschikt. Handmatig versus machinaal. De handmatige boor biedt de inspecteur direct tactiele feedback over de conditie van het hout, iets wat een digitale uitlezing niet altijd volledig kan vervangen.
Een monumentale boerderij. De eikenhouten gebinten ogen solide, maar bij de muurplaat wordt getwijfeld aan de integriteit. De inspecteur plaatst de boor. Een paar krachtige omwentelingen later ligt er een monster op de handpalm. De kern toont drie centimeter gezond hout en daarna een holte. De visuele inspectie zat ernaast; de constructie is kritiek aangetast.
Grenen funderingspalen onder een oud grachtenpand. Bij twijfel over paalrot gaat de aanwasboor diagonaal het hout in, net onder het grondwaterniveau. De extractor haalt een natte, vette kern naar boven. Geen tekenen van bacteriële aantasting of schimmelgroei. De fundering krijgt groen licht voor een nieuwe opbouw. Snelheid en zekerheid gaan hier hand in hand.
De restauratiearchitect wil de exacte ouderdom van een kapconstructie weten. Is het 17e-eeuws eiken of een latere aanpassing? De aanwasboor biedt uitkomst. De jaarringpatronen in de getrokken kern worden in het laboratorium vergeleken met historische databanken. De uitslag: het hout is gekapt in de winter van 1642. Exacte datering door één kleine, gerichte boring.
Een oude beuk in een stadspark met zichtbare zwammen op de stam. De boomverzorger boort richting het hart om de restwanddikte te bepalen. De boor schiet plotseling door. Hol. Geen weerstand meer. De boom vormt een direct gevaar voor voorbijgangers en de beslissing voor kap valt direct op basis van de lege extractor.
De inzet van de aanwasboor vindt zijn wettelijke en normatieve verankering voornamelijk binnen de kaders van de NEN 2767. Deze norm reguleert de conditiemeting van bouw- en civieltechnische objecten. Hierbij is de boorkern essentieel voor het objectiveren van gebreken aan houten constructies. Bij funderingsonderzoek aan houten palen wordt vaak verwezen naar de protocollen van de F3-federatie en de Beoordelingsrichtlijn (BRL) 2502. Deze richtlijnen dicteren de frequentie en de methode van monsterneming. Het doel: de restlevensduur van houten funderingen betrouwbaar prognosticeren.
Erfgoed vraagt om nuance. De Erfgoedwet stelt strikte grenzen aan fysieke ingrepen in rijksmonumenten. Destructief onderzoek, hoe kleinschalig ook bij gebruik van een aanwasboor, mag de monumentale waarde niet onnodig schaden. Richtlijnen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) benadrukken de bewijslast. Onderzoekers moeten de noodzaak van elke boring kunnen onderbouwen. Het weer vakkundig dichten van de boorgaten is een gangbare eis. Meestal gebeurt dit met houten proppen van exact dezelfde houtsoort om inwatering en verdere aantasting te voorkomen.
Voor houtkwaliteit in algemene zin zijn sorteringsnormen cruciaal. Denk aan de NEN 5461 voor naaldhout of de NEN 5466 voor loofhout. De onttrokken kern levert de data die nodig is om de constructie te toetsen aan de sterkteklassen uit de Eurocode 5 (NEN-EN 1995). Zonder tastbaar monster is een dergelijke toetsing bij bestaande bouw vaak onmogelijk. Wetgeving rondom bouwveiligheid dwingt hiermee indirect tot het gebruik van precisie-instrumenten zoals de aanwasboor bij twijfel over de interne staat van dragende delen.
De evolutie van het instrument zit vooral in de materiaalkunde. Vroege modellen kampten met materiaalmoeheid en snelle botheid van de snijkop. Het smeden van de holle schacht vereiste extreme precisie; een minieme afwijking zorgde voor het verbrijzelen van de houtkern. Met de opkomst van hoogwaardige staallegeringen en later synthetische coatings zoals Teflon, nam de frictie tijdens het boren drastisch af. Dit maakte het mogelijk om ook in zeer droog of versteend historisch hout monsters te trekken zonder de boor te breken.
De jaren zeventig markeerden een omslag in Nederland. De toenemende problematiek rondom paalrot in binnensteden dwong inspecteurs tot nauwkeuriger onderzoek onder het grondwaterniveau. De aanwasboor werd hierbij het standaardgereedschap om de dieptewerking van bacteriële aantasting in funderingspalen vast te stellen. Waar men voorheen vertrouwde op oppervlakkige inkepingen, bood de boorkern een volledig beeld van de resterende draagkracht. Sindsdien is het instrument niet meer weg te denken uit de gereedschapskist van de bouwhistoricus en de funderingsadviseur. Het principe blijft onveranderd, de uitvoering is verfijnd.