Het proces start doorgaans direct nadat de constructie, zoals een funderingsbalk of rioolstreng, is gecontroleerd en technisch is vrijgegeven. Lagen stapelen. Dat is de kern van de uitvoering. Het vulmateriaal wordt in horizontale banen aangebracht, waarbij de dikte van elke laag nauw samenhangt met de slagkracht van de ingezette verdichtingsmachine. Te dikke lagen resulteren in een losse kern; de verdichtingskracht bereikt dan simpelweg de onderzijde van de stort niet.
Mechanische verdichting volgt op elke werkgang. Bij zandige materialen wordt soms water toegevoegd om de korrelspanning te verlagen, waardoor de deeltjes makkelijker in een dichte pakking schuiven, terwijl bij cohesieve gronden zoals klei de vochtigheidsgraad juist streng bewaakt moet worden om 'pompen' van de bodem te voorkomen. Langs kwetsbare verticale delen, denk aan kelderwanden met een bitumineuze afdichting, wordt de druk voorzichtig opgebouwd. Men kiest hier vaak voor lichte stampers in plaats van zware trilplaten om structurele schade of verschuivingen te vermijden. Het materiaal moet vrij zijn van grote puinresten of organisch afval. Dergelijke insluitingen veroorzaken op termijn holle ruimtes door verrotting of ongelijke zettingen. Vaak eindigt de uitvoering met het aanhouden van een zekere overhoogte; een bewuste marge die rekening houdt met de natuurlijke inklinking die in de maanden na oplevering optreedt onder invloed van eigen gewicht en hemelwater.
De term aanvulling fungeert vaak als verzamelnaam, maar de technische invulling varieert sterk per scenario. Een cruciaal onderscheid ligt tussen aanvullen en ophogen. Waar aanvullen specifiek gaat over het dichten van een kunstmatige leegte — zoals een leidingsleuf of een werkput rondom een kelder — doelt ophoging op het verhogen van het bestaande maaiveld. Zand is hierbij de standaard. Voornamelijk drainagezand of vulzand wordt ingezet vanwege de korrelopbouw die zich uitstekend laat verdichten.
Soms dicteert de locatie een andere aanpak. Gebiedseigen grond krijgt de voorkeur wanneer de lokale waterhuishouding intact moet blijven. Klei bij klei, zand bij zand. In de wegenbouw zien we vaker een constructieve aanvulling. Hierbij wordt menggranulaat (gebroken puin) of hydraulisch menggranulaat gebruikt. Dit materiaal fungeert niet alleen als opvulling, maar direct als stabiele funderingslaag voor zware verkeersbelastingen. Het is stugger, vormvaster en minder gevoelig voor zettingen dan regulier zand.
In gebieden met een slappe ondergrond, zoals het Hollandse veenlandschap, is traditionele aanvulling met zand riskant. Zand is zwaar. Het extra gewicht veroorzaakt secundaire zettingen in de diepere bodemlagen. Hier bieden lichtgewicht varianten uitkomst:
Een andere specifieke variant is gestabiliseerd zand, in de volksmond vaak zandcement genoemd. Door een kleine hoeveelheid cement aan het zand toe te voegen, ontstaat na hydratatie een zwak beton. Dit wordt toegepast bij de aanvulling van zwembadwanden, onder drempels of rondom complexe leidingknooppunten waar elke vorm van nazetting uitgesloten moet zijn. Het vloeit beter in kleine hoeken en vormt na uitharding een massief blok dat niet meer gevoelig is voor uitspoeling door grondwater.
De kelderwanden van een nieuwe villa zijn gestort en waterdicht afgewerkt. Tussen de wand en de beschoeiing gaapt een sleuf van tachtig centimeter. Hier zie je de aanvulling in optima forma. De grondwerker brengt het vulzand aan in lagen van maximaal dertig centimeter. De trilstamper gaat eroverheen. Steeds weer. Het resultaat? Een massief pakket dat voorkomt dat de later aan te leggen bestrating rondom het huis na de eerste herfststorm verzakt.
Bij de aanleg van een hoofdriool in een woonwijk is de situatie kritischer. De buis ligt op afschot. De aanvulling rondom de leiding, het zogenaamde leidingbed, gebeurt met fijn zand zonder stenen. Dit beschermt de buis tegen puntbelasting. Pas daarboven volgt de grove aanvulling met gebiedseigen grond of menggranulaat, stevig verdicht om de druk van het passerende verkeer te kunnen weerstaan. Een verkeerde keuze in materiaal of een te snelle uitvoering leidt hier direct tot spoorvorming in het asfalt.
Binnen de funderingsbalken van een bedrijfshal zie je vaak een ander beeld. De bekisting is verwijderd. De loze ruimtes tussen de balken worden 'aangeaard'. Het zand wordt hier niet alleen gestort voor het volume, maar fungeert als directe ondergrond voor de isolatieplaten van de werkvloer. Het moet vlak. Het moet stabiel. Een lasergestuurde kilver zorgt voor de laatste afwerking, zodat de betonvloer straks overal exact even dik is. Hier is aanvulling de brug tussen de ruwe fundering en de strakke afwerkvloer.
Van natuurlijke inklinking naar mechanische beheersing. Dat is de kern van de historische ontwikkeling. Tot ver in de negentiende eeuw vertrouwde de bouwsector bij grondwerk louter op de tijd en de elementen. Handkracht dicteerde het tempo. Men wierp de ontgraven grond simpelweg terug in de sleuf en liet de neerslag het werk doen. Een proces van jaren. Pas met de opkomst van grootschalige infrastructuur, zoals de aanleg van het nationale spoorwegennet en kanalen, ontstond de noodzaak voor onmiddellijke stabiliteit.
1933 markeert een technisch kantelpunt. Ralph Proctor introduceerde zijn gestandaardiseerde test om de relatie tussen het vochtgehalte en de dichtheid van grond vast te leggen. De Proctor-waarde. Ineens werd verdichting meetbaar. Het nattevingerwerk van de grondwerker maakte plaats voor geotechniek. Na de Tweede Wereldoorlog versnelde de mechanisatie de uitvoering aanzienlijk. De handstamper, vaak niet meer dan een zwaar blok hout of ijzer aan een steel, verdween uit het straatbeeld. De introductie van de eerste trilplaten en trilwalsen maakte het mogelijk om grotere laagdiktes in fracties van de tijd te comprimeren.
De evolutie van materialen volgde de technische behoefte. Waar voorheen uitsluitend gebiedseigen grond werd gebruikt, dwong de bouw op slappe bodems in West-Nederland tot innovatie. In de jaren zeventig deed EPS (piepschuim) zijn intrede als lichtgewicht aanvulling. Een breuk met het verleden. Niet langer was massa de standaard, maar juist het ontlasten van de ondergrond. Aan het eind van de twintigste eeuw verschoof de focus naar de milieuhygiënische kant. De bodemwetgeving maakte een einde aan het ongecontroleerd storten van puinhoudende grond. De aanvulling veranderde van een simpele handeling in een nauwgezet gedocumenteerd technisch en juridisch proces.