De realisatie van de aantredediepte begint bij het uitzetten van de trapgeometrie in een legplan of technisch ontwerp. Hierbij fungeert de klimlijn als het cruciale ankerpunt. Deze denkbeeldige lijn bevindt zich doorgaans op een vaste afstand van de zijden van de trap, vaak 300 millimeter uit de spil of de boom. Ontwerpers berekenen hier de verhouding tussen de totale vloer-tot-vloerhoogte en de beschikbare horizontale uitloop. Een kwestie van schuiven met millimeters binnen de vaak krappe beperkingen van een trapgatsparing.
In de praktijk wordt de berekende maat overgebracht op de trapbomen of de bekisting. In de timmerfabriek vertaalt dit proces zich naar het nauwkeurig infrezen van nesten. Hierin komen de treden uiteindelijk te rusten. Bij trappen met een draaiing, de zogenoemde verdreven trappen, is de uitvoering technisch uitdagender. De treden hebben daar een wigvormige aanblik. De breedte verloopt. Toch moet de aantredediepte op de klimlijn exact gelijk blijven om een constant loopritme te garanderen. Bij gestorte betontrappen wordt de diepte bepaald door de positionering van de stootborden in de mal. Elke afwijking tijdens het stellen van de bekisting heeft directe gevolgen voor de uiteindelijke bruikbaarheid van het loopvlak. Het is een samenspel tussen theoretische rekenregels en de fysieke begrenzing van de bouwschil.
Men haalt de termen aantredediepte en tredediepte vaak door elkaar. Toch zit er een essentieel technisch verschil in. De aantredediepte is de netto horizontale maat tussen twee opeenvolgende tredenfronten. De tredediepte daarentegen is de totale fysieke breedte van de plank, inclusief de wel. De wel is het deel van de trede dat over de onderliggende trede heen steekt.
Een trap kan dus een geringe aantredediepte hebben maar toch een brede trede door een grote wel toe te passen. Dit biedt meer steun bij het naar boven lopen, maar helpt niet bij het afdalen. Bij het naar beneden gaan telt immers alleen de vrije ruimte tussen de neuzen. Wie de wel meerekent als loopvlak bij afdalen, komt bedrogen uit. In de utiliteitsbouw en bij noodtrappen wordt vaak gekozen voor trappen zonder wel (open trappen), waardoor de aantrede en de tredediepte nagenoeg gelijkvallen.
Stel je een Amsterdams pand uit 1900 voor. Je loopt naar beneden en merkt dat je je voeten zijwaarts moet zetten. De hakken vinden geen steun. Hier is de aantredediepte vaak niet meer dan 160 millimeter. In deze krappe ruimtes is elke millimeter winst. Bij een renovatie probeert een aannemer vaak de stootborden iets schuiner te plaatsen. Zo wordt de trede fysiek breder, maar de netto aantredediepte blijft vaak onder de moderne maatstaf. Het resultaat? Een trap die je dwingt tot voorzichtigheid.
In een modern kantoorpand is de situatie anders. Hier tref je vaak een 'luie' trap aan. De architect kiest voor een optrede van 170 millimeter en combineert dit met een royale aantredediepte van 290 millimeter. Een volwassene met schoenmaat 45 zet zijn voet volledig neer. Zonder na te denken. Het looptempo ligt hoger en de veiligheid is maximaal. Hier fungeert de ruime maatvoering als een garantie voor een soepele doorstroom van grote groepen mensen.
Bij een wenteltrap naar een zolderverdieping wordt het technisch. In de binnenbocht, vlak bij de spil, is de trede smal. De aantredediepte is daar nagenoeg nul. Onbruikbaar voor een voet. De gebruiker zoekt intuïtief de buitenzijde op. Op de klimlijn, de denkbeeldige route op 300 millimeter uit de kant, moet de maat echter kloppen. Als de timmerman hier de 220 millimeter uit het Bouwbesluit aanhoudt, blijft het loopritme constant. Wie de bocht te strak afsnijdt, merkt direct dat de balans wankelt omdat de steun onder de voorvoet wegvalt.
Tijdens het storten van een betontrap in een nieuwbouwproject is de aantredediepte een harde controlemaat. De uitvoerder meet de afstand tussen de verticale stootborden van de bekisting. Hij checkt of de maat overal gelijk is. Een afwijking van een centimeter lijkt weinig. Toch is het genoeg om een bewoner later te laten struikelen. Het menselijk brein rekent namelijk op een vast patroon. Een plotselinge variatie in de aantredediepte verstoort dat patroon direct.
De kaders voor de aantredediepte liggen vast in het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Dit besluit, de opvolger van het Bouwbesluit 2012, maakt een scherp onderscheid tussen nieuwbouw en bestaande bouw. Voor een trap in een nieuwe woning schrijft de wet een minimale aantredediepte van 220 millimeter voor. Gemeten op de klimlijn. Bij utiliteitsgebouwen zoals scholen of zorginstellingen gelden vaak strengere eisen vanwege de grotere personenvloed en veiligheidseisen bij ontruiming. Hier kan de minimale maat oplopen naar 230 millimeter of meer, afhankelijk van de specifieke gebruiksfunctie van het pand.
Naast het BBL speelt de NEN 3509 een faciliterende rol. Deze norm geeft functionele aanwijzingen voor de maatvoering van trappen in woningen en woongebouwen. Bij bestaande bouw gelden minder strikte eisen. Men spreekt hier van het rechtens verkregen niveau. Vaak volstaat een minimale aantrede van 130 millimeter. Een enorm verschil. Dit verklaart waarom de steile trappen in historische binnensteden strikt genomen gewoon aan de regels voldoen. Tijdens een renovatie moet de ontwerper navigeren tussen deze minimale ondergrens en de wens voor modern loopcomfort. Het niveau mag immers nooit slechter worden dan de oorspronkelijke situatie. Vergunningverlening bij ingrijpende verbouwingen toetst hier kritisch op.
| Situatie | Minimale aantrede (BBL) |
|---|---|
| Nieuwbouw woonfunctie | 220 mm |
| Nieuwbouw utiliteit (overig) | 230 mm |
| Bestaande bouw (algemeen) | 130 mm |
Vroeger was de trap een sluitpost. Pure noodzaak. Wie in de zeventiende eeuw een trap timmerde, keek naar de beschikbare ruimte en verdeelde de treden. Geen regels, enkel de beperking van het trapgat. Dat veranderde fundamenteel in 1675. François Blondel, een Franse architect, legde toen de wiskundige basis voor de moderne trapgeometrie. Hij stelde vast dat een mens gemiddeld een paslengte van 63 centimeter heeft. Zijn formule — twee keer de optrede plus de aantrede — vormt nog steeds de basis voor elke fatsoenlijke trapberekening wereldwijd. Een technisch ankerpunt dat de verhouding tussen horizontaal en verticaal vastlegde.
Nederland heeft een eigen, nogal steile geschiedenis. Ruimte was kostbaar in de groeiende steden van de Gouden Eeuw. Belastingheffing op de gevelbreedte dwong architecten tot smalle, diepe panden. De trap? Die moest zo min mogelijk vierkante meters opslokken. Zo ontstond de beruchte traditie van de 'moordenaarstrap' met een minimale aantredediepte van soms nog geen vijftien centimeter. Hakken over de rand was de norm. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam de echte ommekeer. De wederopbouw vroeg om standaardisatie en veiligheid. Men besefte dat een veilige woning begon bij een voorspelbaar loopritme. De normen verschoven langzaam van louter functioneel naar ergonomisch. Wat we nu als de standaard van 220 millimeter beschouwen, zou in de achttiende eeuw als pure ruimteverspilling zijn weggezet. De evolutie van de aantredediepte weerspiegelt de groeiende waarde die we hechten aan fysieke veiligheid in de gebouwde omgeving.