De bepaling van de aansluitwaarde start bij de inventarisatie. Men stelt een vermogensbalans op. Alle verbruikers gaan op de lijst. Verlichting, warmtepompen, industriële motoren. Het is puur rekenwerk. Cruciaal hierbij is de gelijktijdigheidsfactor. Een gebouw draait zelden op vollast. Men corrigeert de theoretische piek naar een realistisch gelijktijdig verbruik om overdimensionering te voorkomen. Bij woningbouw resulteert dit vaak in een standaard 3x25A aansluiting, maar bij utiliteit is elk ontwerp maatwerk.
Na de calculatie volgt de aanvraag. Dit verloopt via centrale portalen bij de netbeheerder. De netbeheerder toetst de aanvraag aan de beschikbare capaciteit van het lokale netwerk. Kan de kabel in de straat dit aan? Soms is een netverzwaring noodzakelijk. In de meterkast krijgt de aansluitwaarde zijn fysieke vorm. De netbeheerder plaatst de hoofdmeter en de bijbehorende beveiligingscomponenten. Smeltpatronen of een selectieve installatieautomaat. Deze hardware fungeert als de harde grens. De doorlaatwaarde van deze componenten is bepalend. Voor gas en water wordt een meter met de juiste G-waarde of nominaal debiet gemonteerd. De hardware dicteert de limiet. Bij overschrijding grijpt de beveiliging in. De stroom valt uit of de gastoevoer wordt begrensd.
De markt maakt een rigoureus onderscheid tussen kleinverbruikers en grootverbruikers. De grens ligt bij 3x80 Ampère. Alles daaronder valt onder het standaardtarief voor consumenten en mkb. Binnen de woningbouw domineert tegenwoordig de 3x25 Ampère aansluiting. Dit is de opvolger van de klassieke 1x35 Ampère verbinding die je in oudere panden nog vaak ziet. De overgang naar drie fasen is noodzakelijk geworden door de elektrificatie van de gebouwde omgeving. Denk aan laadpalen, warmtepompen en inductieplaten die simpelweg te veel stroom trekken voor één enkele fase.
Grootverbruikaansluitingen overstijgen de 3x80A grens. Hier komt vaak middenspanning om de hoek kijken. De netbeheerder plaatst dan een eigen transformatorstation op het terrein. Bij deze varianten spreken we niet meer over een simpele smeltveiligheid, maar over gecontracteerd vermogen uitgedrukt in kW of kVA. Het is een administratieve en technische variant waarbij de gebruiker betaalt voor de gereserveerde capaciteit in de wijkcentrale. De fysieke aansluitwaarde van de kabel is hier vaak groter dan wat er contractueel is vastgelegd.
Gasaansluitingen worden gecategoriseerd met G-nummers. Een standaard huishoudelijke aansluiting is meestal een G4 of G6. De G-waarde geeft het nominale debiet aan in kubieke meters per uur. Een G4 meter verwerkt probleemloos 6 m³/h aan piekbelasting. In de utiliteitsbouw of bij panden met een zeer zware cv-cascade schaalt men op naar G10, G16 of zelfs G25. De fysieke diameter van de gasleiding in de meterkast groeit mee met deze waarde. Een grotere aansluitwaarde betekent hier direct een grotere meterbeugel en zwaardere drukregelaars.
Bij wateraansluitingen hanteert de sector de Qn- of Q3-waarde. Dit is de nominale volumestroom. Voor een standaardwoning is dit meestal 1,5 tot 2,5 m³/h. In de brandbeveiliging of bij panden met grote sprinklerinstallaties wijkt de aansluitwaarde voor water fors af van de standaard. Men spreekt dan vaak over een aansluiting met een verhoogde capaciteit, waarbij de leidingdiameter de beperkende factor is in plaats van alleen de meter. Het is cruciaal om de gelijktijdige aftap te berekenen. Doe je dat niet, dan daalt de druk bij de verste tappunten tot een onwerkbaar niveau zodra er elders een kraan opengaat.
In de praktijk worden termen als doorlaatwaarde, aansluitcapaciteit en zekeringwaarde vaak door elkaar gebruikt. Technisch gezien is de doorlaatwaarde de fysieke limiet van de hoofdbeveiliging. Dit is het getal dat op de zekering staat. De aansluitwaarde is het overkoepelende begrip voor de totale leveringscapaciteit. Soms verwart men dit met het opgesteld vermogen. Dat is de optelsom van alle apparaten in het pand. De aansluitwaarde hoeft echter niet gelijk te zijn aan dit totaal. Dankzij de gelijktijdigheidsfactor — niet alles staat tegelijk aan — is de aansluitwaarde in de regel lager dan het totale opgesteld vermogen. Een verkeerde interpretatie van deze nuances leidt tot ofwel onnodig hoge vastrechtkosten, ofwel een installatie die op cruciale momenten uitvalt.
Een klassiek jaren '30 huis. De bewoners stappen over op elektrisch koken en plaatsen een warmtepomp. De oude 1x35A aansluiting voldoet niet meer. Zodra de inductieplaat op vol vermogen staat en de vaatwasser start, klapt de hoofdzekering eruit. Hier dwingt de praktijk een verzwaring af naar 3x25A. De aansluitwaarde wordt fysiek vergroot door de netbeheerder om de gelijktijdige belasting op te vangen.
In de utiliteit ziet het er anders uit. Denk aan een sportschool met tien douches. De standaard watermeter (Q3 2,5) is berekend op gemiddeld huishoudelijk gebruik. Tijdens de ochtendpiek staan alle douches open. De waterdruk valt weg bij de achterste tappunten. De aansluitwaarde van het waternet is hier de beperkende factor; een grotere meter en een zwaardere toevoerleiding zijn nodig om het debiet te garanderen.
Horeca-ondernemers lopen vaak tegen de grenzen van de gasaansluiting aan. Een pand met een G4-meter krijgt een professionele keuken met zware branders. De cv-ketel springt aan terwijl de koks pieken. De druk in de leidingen zakt, waardoor de branders onregelmatig branden of beveiligingen in de apparatuur uitschakelen. De stap naar een G10 of G16 aansluitwaarde is dan de enige technische oplossing om de continuïteit van de bedrijfsvoering te borgen.
Op de bouwplaats zelf kom je de term tegen bij de bouwaansluiting. Een aannemer vraagt een tijdelijke aansluiting aan. Hij moet vooraf inschatten of er een torenkraan draait terwijl de schaftkeet verwarmd wordt en de silo's gemixt worden. Een te krappe aansluitwaarde betekent stilstand bij elke start van de kraanmotor door de hoge aanloopstroom.
De Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet vormen het juridische fundament onder elke aansluitwaarde. Hierin is vastgelegd welke rechten en plichten afnemers en netbeheerders hebben. De grens van 3x80 Ampère is geen willekeurige keuze. Het is een wettelijk verankerd onderscheid tussen kleinverbruik en grootverbruik. De Autoriteit Consument & Markt (ACM) houdt toezicht op de naleving hiervan. Zij stellen de Tarievenstructuur en de Netcodes vast.
De Netcode Elektriciteit en Netcode Gas zijn essentieel. Deze codes bevatten de technische randvoorwaarden waaraan een aansluiting moet voldoen. Ze regelen hoe de capaciteit wordt toegewezen. En wie er voorrang krijgt bij schaarste op het net. Voor drinkwater geldt een vergelijkbaar regime onder de Drinkwaterwet en het Drinkwaterbesluit.
NEN 1010 is de bijbel voor de elektrotechnisch installateur. Deze norm schrijft voor hoe de interne installatie moet worden gedimensioneerd op basis van de beschikbare aansluitwaarde. Selectiviteit is hierbij het sleutelwoord. De beveiliging in de verdeelinrichting moet eerder aanspreken dan de hoofdbeveiliging van de netbeheerder. Gebeurt dat niet? Dan overtreedt de installatie de voorschriften van de netbeheerder. Voor waterinstallaties is de NEN 1006, ook wel de AVWI genoemd, de leidende norm. Het Besluit bouwwerk leefomgeving (BBL) stelt de aanwezigheid van aansluitingen verplicht, maar de specifieke dimensionering blijft een samenspel tussen de NEN-normen en de technische voorschriften van het lokale nutsbedrijf.
Joostdevree | Rvo | Enexis | Mijnaansluiting