De uitvoering vangt aan bij de bouwramen waar de draad het theoretische nulpunt markeert. Voor metselwerk wordt eerst een substantieel mortelbed op de fundering gespreid om minimale ongelijkheden in het beton te elimineren. De vakman plaatst de hoekstenen, de zogeheten koppen, en controleert deze met een laser op de exact voorgeschreven referentiehoogte. Tussen deze vaste punten wordt de draad snaarstrak gespannen. De eerste laag stenen wordt vervolgens handmatig in de specie gedrukt en met de troffelstelen aangeklopt tot de bovenzijde de draad net niet raakt. De draad liegt nooit. Dit proces herhaalt zich systematisch bij elke wandvoet.
Bij civieltechnische werken zoals de aanleg van riolering of kabelsystemen start men met het profileren van de sleufbodem. Een stabiel zandbed vormt de basis. Het afschot wordt hierbij met een rioollaser gecontroleerd terwijl de eerste buissegmenten nauwsluitend worden gekoppeld. Bij prefab funderingselementen worden de zware delen met een kraan op positie gehesen waarbij stelmateriaal onder de elementen zorgt voor de finale nivellering. Nauwkeurigheid is hier een absolute voorwaarde. Een millimeter afwijking in deze fase resulteert onherroepelijk in cumulatievere fouten tijdens de verdere opbouw van het casco. Alles staat of valt met de eerste rij.
Binnen de bouwsector varieert de interpretatie van 'aanleggen' per vakdiscipline, al blijft de essentie — de eerste fysieke handeling op de bouwplaats — gelijk. Bij traditioneel metselwerk vormt het aanleggen van de kim de meest kritische variant. Dit is de eerste laag stenen of blokken op de fundering. Hierbij gebruikt de vakman vaak een krimpvrije mortel of een kimlaag-folie om optrekkend vocht te weren. Het luistert nauw. Eén millimeter afwijking in de kimlaag resulteert in een muur die meters hoger onherroepelijk uit het lood staat.
In de civiele techniek en infrastructuur verschuift de betekenis naar horizontale netwerken. Men spreekt hier over het aanleggen van riolering, kabeltracés of warmtenetten. Hierbij is de interactie met de bodemgesteldheid leidend. Het creëren van een stabiel zandbed en het exact bepalen van het afschot zijn de kernvariabelen. Zonder nauwkeurige lasermetingen stagneert de vloeistofstroom. Het is een proces van graven, vlijen en verbinden.
Verwar aanleggen niet met 'stellen'. Stellen heeft betrekking op het tijdelijk positioneren van hulpmiddelen, zoals profielen of kozijnen, terwijl aanleggen de definitieve start van het constructieve deel markeert. Ook 'monteren' is een ander begrip. Monteren impliceert vaak het samenvoegen van droge, geprefabriceerde onderdelen. Aanleggen daarentegen gebeurt direct op de ondergrond of fundering, vaak met natte verbindingen zoals mortel of door directe inbedding in de grond.
Bij bestrating spreken we simpelweg over het 'leggen' of 'vlijen' van de wegverharding. Hoewel dit nauw verwant is, doelt aanleggen in die context vaak op het gehele pakket: van de puinfundering en het zandbed tot de uiteindelijke klinker. Het is de overgang van een braakliggend terrein naar een functionele structuur.
Een metselaar staat bij zonsopgang op de uitgeharde betonfundering. De bouwramen staan al dagen te wachten. Hij schept een flinke dot krimpvrije mortel op de hoek van de funderingsbalk. Met een ferme tik van de troffelsteel positioneert hij de eerste kalkzandsteen precies op de kruising van de draden. Dit is het klassieke aanleggen van de kimlaag. De positie van dit ene blok bepaalt of de rest van de woning straks haaks staat.
In de civiele techniek ziet de situatie er anders uit. Een kraanmachinist laat een betonbuis van duizend kilo langzaam in een diepe sleuf zakken. De grondwerker beneden controleert de rioollaser. De stip moet exact in het hart van de mof vallen. Zodra de buis op de juiste hoogte in het zandbed wordt gevlijd en gekoppeld aan de put, is het aanleggen van het riooltracé officieel begonnen. Elke volgende buis volgt dit gestelde nulpunt.
Andere herkenbare situaties in de bouw:
Het is de overgang van graven en voorbereiden naar de eerste blijvende constructieve handeling. De draad en de laser zijn daarbij de enige waarheid waar de vakman op vertrouwt.
Papierwerk gaat aan de schep vooraf. De Omgevingswet regeert hier onverbiddelijk. Voordat de eerste steen wordt gelegd of de eerste sleuf wordt getrokken, moet er een onherroepelijke omgevingsvergunning zijn. Of een melding, afhankelijk van de projectomvang en complexiteit.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt het juridische fundament. Dit besluit eist dat de start van de feitelijke werkzaamheden tijdig wordt gemeld bij het bevoegd gezag. Vaak uiterlijk twee werkdagen voor aanvang. De constructieve veiligheid die in de berekeningen is beloofd, moet tijdens het aanleggen exact in de praktijk worden gebracht. Inspecteurs van Bouw- en Woningtoezicht controleren hierop. Fouten in de positionering kunnen leiden tot een onmiddellijke bouwstop.
Bij het aanleggen van metselwerkconstructies is NEN-EN 1996 (Eurocode 6) de technische leidraad. Deze norm stelt specifieke eisen aan de materialen en de wijze waarop de kimlaag wordt uitgevoerd. Afwijkingen in de vlakheid of de hechting van de mortel kunnen leiden tot afkeur van het volledige casco. Voor ondergrondse infrastructuur is de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten (WIBON) van kracht. Een graafmelding — de bekende KLIC-melding — is verplicht. Graven zonder deze melding is een economisch delict. Het voorkomt dat graafmachines vitale glasvezelkabels of gasleidingen lostrekken tijdens het aanleggen van nieuwe tracés.
Het is geen vrijblijvend proces. Regelgeving dwingt precisie af vanaf de eerste millimeter.
Het fundament van het woord ligt letterlijk in het 'neerleggen' van de eerste bouwstoffen op de kale bodem. Vroeger was dit proces minder een administratieve handeling en meer een ambachtelijke beproeving. Romeinse bouwmeesters gebruikten al een vroege vorm van beton, maar het echte aanleggen gebeurde met zware natuurstenen die met uiterste precisie op een bed van aangestampte aarde werden gevlijd. Geen lasers. Slechts een schietlood en de intuïtie van de meesterbouwer bepaalden de haaksheid van het bouwwerk. De overgang naar de moderne bouwmethodiek veranderde de context van de term van puur handwerk naar een geïntegreerd technisch proces waarbij de foutmarge tot nul is gereduceerd.
In de Middeleeuwen verschoof de focus tijdens het aanleggen naar de preventie van optrekkend vocht. Men begon met het toepassen van loodslabbe of dichte natuursteenlagen direct boven het maaiveld om de rest van het metselwerk te beschermen. Dit was de feitelijke geboorte van de kimlaag zoals we die in de huidige woningbouw nog steeds toepassen. Met de komst van de industriële revolutie en de massaproductie van bakstenen werd het proces gestroomlijnder. De introductie van het waterpasinstrument verving de onbetrouwbare methoden met waterbakken, waardoor het aanleggen van lange muren over grote afstanden eindelijk beheersbaar werd.
Rond 1900 veranderde de opkomst van grootschalige infrastructuur de term definitief. Het aanleggen van rioleringen werd een collectieve verantwoordelijkheid. Van houten buizen verschoof de praktijk naar gres en later naar beton en kunststof. Vandaag de dag is het proces volledig gedigitaliseerd. De metselaar of grondwerker voert nog steeds de fysieke handeling uit, maar de positie van de eerste steen of buis is vooraf bepaald door GPS-coördinaten. Het fysieke contact met de ondergrond blijft de gemene deler door de eeuwen heen.