Het proces vangt aan bij het minutieus verwijderen van de aangetaste baksteen. Hakwerk bepaalt de start. Een beitel of lichte boorhamer vreet de voegen rondom de betreffende steen weg tot de hechting volledig is verbroken. De vrijgekomen holte wordt direct ontdaan van alle resterende gruis- en mortelresten. Reinigen is essentieel. Met een borstel of perslucht maakt men de ruimte stofvrij.
Vervolgens vindt de voorbereiding van de ondergrond plaats. Men bevochtigt de omliggende stenen rijkelijk met water. Dit voorkomt 'verbranden', waarbij de zuigende werking van de oude baksteen het aanmaakwater te snel uit de verse mortel onttrekt. De nieuwe steen – vaak een boetsteen genoemd – krijgt een mortelbed op de onder- en zijkanten en wordt vervolgens in de opening geschoven. Het luistert nauw. De steen moet exact in het bestaande verband vallen zonder de omliggende elementen te ontzetten.
De mortelsamenstelling vormt de kern van een geslaagde uitvoering. Men kiest een specie die in hardheid en elasticiteit overeenstemt met het omliggende metselwerk. Te harde mortel leidt bij historisch metselwerk onvermijdelijk tot nieuwe spanningsscheuren. Nadat de steen is geplaatst, drukt de metselaar de mortel stevig aan in de stoot- en lintvoegen. De afwerking geschiedt door de voegen iets terug te krabben; hiermee ontstaat ruimte voor de definitieve voegspecie die de herstelde plek visueel laat versmelten met de rest van de gevel.
Stel je een negentiende-eeuws herenhuis voor. Door een lichte verzakking loopt een diagonale scheur dwars door het metselwerk, waarbij niet alleen de voegen, maar ook de bakstenen zelf doormidden zijn geknapt. Een metselaar hakt hier de gebroken stenen in een getrapt patroon uit de gevel. De gaten die overblijven, vult hij op met 'boetstenen' die qua kleur en formaat identiek zijn aan het origineel. Na het invoegen is de constructieve samenhang terug en de scheur onzichtbaar.
Een ander herkenbaar voorbeeld is de verwijdering van een oude gevelkachel of een ventilatierooster. Vaak blijft er een rommelig gat achter, provisorisch dichtgestopt met wat cement. Bij inboeten verwijdert de vakman de resten mortel en plaatst hij de stenen terug in het bestaande verband. Dit vereist precisie. De nieuwe lintvoeg moet precies uitlijnen met de oude. Een halve centimeter verschil valt direct op.
Ook bij monumenten zie je het vaak onderaan de gevelplint. Door optrekkend vocht en zoutkristallisatie kunnen stenen gaan 'afboeren' of verpoederen. De kern van de muur is nog goed, maar de buitenzijde verliest zijn beschermende laag. De restauratiemetselaar hakt deze slechte koppen en strekken eruit. Hij zet er gezonde stenen voor in de plaats. Het is chirurgisch herstel. Geen sloop, maar gerichte vervanging.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt het wettelijk fundament. Veiligheid staat centraal. Wanneer inboeten nodig is om de constructieve integriteit van een gevel te waarborgen, stelt het BBL eisen aan de resterende draagkracht. Een gevel mag geen gevaar vormen voor de omgeving. Bij monumenten wordt de juridische laag complexer. De Erfgoedwet beschermt hier de historische waarde van het metselwerk. Inboeten mag in dat geval niet leiden tot ontsiering of verlies van authentiek materiaal. Een omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten is dan vaak vereist, waarbij de gemeente toetst of de herstelmethode de monumentale waarden respecteert.
Kwaliteitseisen zijn vastgelegd in technische richtlijnen. De URL 4003 (Metselwerkwerkzaamheden) van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) is leidend bij restauratieprojecten. Deze richtlijn schrijft voor dat de eigenschappen van de boetsteen en de mortel moeten harmoniëren met het bestaande werk. Hoewel de NEN-EN 1996-reeks (Eurocode 6) de algemene regels voor het ontwerp en de berekening van metselwerkconstructies bevat, is deze bij lokaal inboetwerk vaker een achtergrondnorm dan een direct werkdocument. Het draait vooral om de compatibiliteit tussen oud en nieuw. Verkeerde keuzes kunnen leiden tot schadeclaims op basis van het Burgerlijk Wetboek, zeker wanneer een ondeugdelijke reparatie verdere degradatie van de gevel veroorzaakt.
De negentiende eeuw bracht de ommekeer door industrialisatie en standaardisatie. Fabrieksmatige productie van baksteen verving de lokale veldovens, waardoor inboeten veranderde van een ambachtelijke improvisatie naar een meer technische exercitie waarbij formaatvastheid een rol begon te spelen. Maar er sloop een technisch gevaar in de methode. De opkomst van Portlandcement in de late negentiende en vroege twintigste eeuw zorgde voor een breuk met het verleden. Metselaars vervingen de traditionele, zachte kalkmortels door keiharde cementmortels bij het inboeten. Een fatale fout. De historische stenen konden hun thermische spanning en vochthuishouding niet meer kwijt aan de voegen, waardoor de originele bakstenen rondom de reparatieplek kapotvroren.
Na de Tweede Wereldoorlog verschoof de focus definitief naar moderne restauratie-ethiek. Het Charter van Venetië uit 1964 zette de toon. Niet langer het 'mooi maken' of het camoufleren van schade stond centraal, maar het behoud van de oorspronkelijke materie. Inboeten werd gevelchirurgie. De introductie van gespecialiseerde restauratienormen in de afgelopen decennia markeert de overgang van natte-vingerwerk naar wetenschappelijk onderbouwd herstel. Tegenwoordig analyseren laboratoria de porositeit en druksterkte van de originele steen voordat er een boetsteen wordt geselecteerd. Waar men vroeger genoegen nam met een ruwe vulling, zoekt de vakman nu naar een balans tussen constructieve verbetering en visuele eerbied voor het tijdsverloop.